Opinie

    • Marjoleine de Vos

Medelijden is geen deugd

Voorzichtigheid, gematigdheid, rechtvaardigheid, moed. Dat zijn de vier klassieke deugden, later aangevuld met het christelijke trio ‘geloof, hoop en liefde’. Het zijn allemaal erg mooie begrippen.

In het gewone leven is een beetje fatsoen, vriendelijkheid, hoffelijkheid vaak al heel wat. Al geef ik toe dat dat deugden zijn voor de kleine, dagelijkse supermarktomgang. Bij grote problemen heb je er weinig aan, zeker als je in aanraking komt met mensen die niet veel geven om hoffelijkheid of vriendelijkheid. Dan zul je naar serieuzere deugden moeten grijpen.

Het is wel raar dat zoiets als ‘zorgzaamheid’ bij de klassieke deugden ontbreekt. Bij de christelijke kun je dat onder ‘liefde’ laten vallen.

Hoop en geloof brengen daarentegen weer allerhande eigen moeilijkheden met zich mee, die vaak behoorlijk inwerken tegen rechtvaardigheid en moed – al dat hopen op en geloven dat toestanden zich als vanzelf, met een beetje goede wil, ten goede zullen keren, van verslavingen tot oorlogen. Maar dat gebeurt meestal niet. Er is moed nodig en doortastendheid om een einde te maken aan een onwenselijke situatie.

En wat als er geen einde aan de situatie gemaakt kan worden? We zien dat in het groot, met de enorme vluchtelingenstroom die deze kant op komt en die we moeilijk met niets dan geloof, hoop en liefde tegemoet kunnen treden. Dan kon elk evenwicht wel eens zoek raken met als gevolg dat niemand geholpen was.

En in het klein zie je het ook, honderd keer per maand: „als ze nu eerst deze opleiding maar zou afmaken”, „als zijn gezondheid nu eerst maar weer eens wat beter zou zijn”, „als ik nu elke dag even opbel misschien dat dan”, „ik denk dat hij het zelf zo ook niet meer wil”, „ze heeft nu echt wel begrepen dat ik dit niet langer verdraag”, enzovoort.

Stel nou dat al die mensen met de beste bedoelingen, stel dat ik zelf écht een Syrische familie in de logeerkamer kreeg. Je kunt zo verzinnen hoe dat gaat.

Hoewel, een poosje geleden las ik een dagboek van een vrouw die na de oorlog in Duitsland op drift was geraakt en steeds langere tijd bij mensen in hun huis verbleef met haar baby. Dat was niet makkelijk – het was koud, er was weinig eten, het kind werd ziek – maar het ging. Uiteindelijk kon de vrouw weer naar Nederland en kon ze daar toch nog iets behoorlijks van haar leven maken.

De mensen die haar opvingen, konden blijkbaar met liefde en geduld een heel eind komen (geduld, waarom is dat eigenlijk geen deugd?) en waarschijnlijk ook wel met een snufje hoop en geloof. Of dat nu ook kan?

Zelf heb ik vaak het gevoel dat moed en rechtvaardigheid dringender gewenst zijn. Gematigd en voorzichtig is deze samenleving meestal wel, en ook zelf kan ik dat best zijn. Maar om koel te blijven en non-empathisch en afstandelijk genoeg om te kunnen durven zeggen: „Je vindt dat nu heel akelig en je bent heel boos, en dat begrijp ik wel, maar ik doe het toch want ik weet zeker dat ik in ieders belang handel.”

Dat zou flink zijn. Maar ik bezwijk altijd direct als iemand in paniek raakt, zich verzet, wanhopig begint te huilen of iets anders doet dat het medelijdengebied in de hersenen activeert. Zou dat bij mij hyperactief zijn? Op het ogenblik lijkt het bij bijkans iederéén hyperactief. Het leidt tot niets goeds, daar ben ik wel van overtuigd. Medelijden is geen deugd. Het is een vorm van verlamming.

    • Marjoleine de Vos