Eenzaam afscheid achter de microfoon

De 88-jarige Juliette Gréco neemt wereldwijd afscheid van haar publiek . Haar zeggingskracht was in Carré nog groot.

Het concert van Juliette Gréco, gisteravond in Carré, was een gitzwarte affaire met bijna uitsluitend teksten over de ouderdom en de dood. Foto Andreas Terlaak

Nee, lachebekjes waren ze bepaald niet, de adolescenten die in de Parijse wijk Saint-Germain-des-Prés na de Bevrijding van 1944 het zogenaamde Existentialisten-milieu vormden, en wier zwarte kleding en somber fatalisme wereldwijd het levensgevoel van een generatie beïnvloedden, ook in Nederland. Passend dus dat het definitieve Nederlandse afscheid van de bekendste zangeres uit deze kring, de inmiddels 88-jarige Juliette Gréco, gisteravond in Carré een gitzwarte affaire was – met bijna uitsluitend teksten over de ouderdom die alles wegvaagt, en over de dood.

Merci heet de tour de chant waarmee Gréco een jaar lang de wereld over trekt om afscheid te nemen. Er waren enkele lichtpuntjes: Bruxelles van Jacques Brel, La javanaise van Serge Gainsbourg, of het schalkse Déshabillez-moi („Ik kan dit eigenlijk niet meer zingen, maar ik doe het toch”). Het zingen valt Gréco hoorbaar moeilijk – zij zegt haar teksten eerder, of roept ze, op heftige momenten.

De meeste zeggingskracht echter had ze, net als vroeger in een eenvoudige zwarte jurk eenzaam achter de microfoon, bij teksten over verval en dood. Avec le temps van Léo Ferré bijvoorbeeld, over het verdwijnen van herinneringen en passie. Vooral het repertoire van Brel bewees goede diensten: Les vieux, La chanson des vieux amants en Le tango funèbre.

Hoogtepunt was het een na laatste nummer, Brels J'arrive, door Gréco aangekondigd als „een dialoog met de dood”, over iemand die weet dat het zijn tijd is, en vergeefs vraagt of hij niet nog één maal verliefd mag worden. Bij deze ballade over het onvermijdelijk einde werd het concert bepaald beklemmend – ook door de bijna griezelige belichting, die de eenzaamheid van de zangeres en de bleekheid van haar gezicht benadrukte.

Nummers uit de begintijd van Gréco's meer dan zestig jaar omspannende carrière ontbraken. In 1944 vond zij – beginnend actrice en zojuist bevrijd uit Duitse gevangenschap – aansluiting bij het milieu van jeugdige bohémiens die rondhingen in de rokerige keldertjes en kroegen rond Saint-Germain-des-Prés. Jazz, poëzie en zwaarmoedige filosofieën bepaalden daar de sfeer. Langer van vier, vijf jaar heeft die scene niet bestaan, maar de mythe van een Existentialistische milieu waar het moderne, naoorlogse levensgevoel vorm kreeg, bleek taaier.

Gréco werd dé zangeres van dit milieu. Jean-Paul Sartre, Boris Vian en Jacques Prévert schreven teksten voor haar. Geheel in stijl was ook haar reputatie als ‘vrije vrouw’, die jarenlang een relatie had met de zwarte trompet-legende Miles Davis, maar hem niet naar de Verenigde Staten volgde vanwege de in veel Amerikaanse staten nog bestaande rassenscheiding.

In al die jaren is haar uitstraling niet noemenswaardig veranderd: in het zwart gekleed omdat ze vindt dat haar lichaam niet ter zake doet, gesticulerend met haar mooie handen, met zwaar opgemaakte ogen, en een welhaast strenge vertolking – altijd van andermans teksten, want eigen pogingen tot schrijverschap bleven zonder succes.

Na J'arrive waagde Gréco zich in Amsterdam nog aan Ne me quitte pas van Brel, en brak daarna enigszins abrupt het concert af. „Soms is het vuur opgelaaid in een oude vulkaan waarvan men geloofde dat hij te oud was”, is een strofe uit Ne me quitte pas. Maar deze vulkaan laait niet meer op – er waren geen toegiften. Een Frans weekblad vroeg Gréco onlangs wat ze zal doen na het laatste concert, volgend jaar: „Ik probeer er niet aan te denken. Misschien ga ik liedjes schrijven. Of tuinieren. Of ik ga dood. Ik heb er de leeftijd voor. En misschien, tegen die tijd, de wens”.

    • Raymond van den Boogaard