Eentonig maar nooit saai

Krap vijf jaar geleden debuteerde Martijn Simons (1985) met Zomerslaap, een kleine roman over een jongen die goeddeels in het verleden leeft. Hij wil met rust gelaten worden, zodat hij zich volledig aan zijn herinneringen kan overgeven. Simons toonde zich een belofte, door zijn ondramatische manier van schrijven waarin amper iets voorvalt, en werd vergeleken met Robbert Welagen.

Ik heet Julius is dikker en complexer, maar de held uit de titel is van een vergelijkbare bedachtzaamheid en lusteloosheid als de jongen uit Zomerslaap. Hij hangt rond op Curaçao, drinkt en blowt, en overweegt een film te maken over componist Jan Gerard Palm. Dan bereikt hem het bericht dat zijn vader in een Amsterdams ziekenhuis is opgenomen. Met lichte weerzin pakt hij het vliegtuig, waarna zijn hoofd zich vult met beelden en belevenissen uit zijn jeugd. Ooit is er iets voorgevallen dat hem van zijn familie afsneed.

W.F. Hermans schreef na lezing van De avonden aan Reve dat het boek buitengewoon eentonig was, maar dat hij zich geen moment had verveeld. Hetzelfde kun je over deze roman zeggen. Er gaan geen bommen af, niemand valt in een afgrond, de toon is kalm, de melancholie mild. Ook ‘zindert’ het onder de vertelling niet van de spanning, zoals weleens het geval is in een ander rustig boek.

Veel mensen zijn vervelend, zo meent Julius, en andere mensen zijn dat op den duur zo zat dat ze bij die mensen weglopen. Julius’ vader en broer behoren tot de eerste groep, hij en zijn moeder tot de laatste. Voordat Julius naar Curaçao vertrok, deed zijn moeder dat al. Het is dan ook haar huis dat hij na haar dood heeft betrokken.

Simons heeft een roman geschreven die voor een belangrijk deel draait om identiteit, of het ontbreken ervan. Aversie kent Julius genoeg, maar daar zelf iets tegenover zetten lukt hem niet. Het gecompliceerde van zijn zoektocht wordt duidelijk na de dood van zijn moeder. Nadat hij zonder pardon de relatie verbreekt met de vrouw die kinderen van hem wil, wordt hij wekenlang in beslag genomen door muziekopnames die hij in zijn moeders huis vindt. En tijdens een Curaçaose kerkdienst met lokale muziek schiet hij plotseling wortel op de plek waar zijn moeder haar heil zocht.

De wig die het toch al broze gezin uit elkaar dreef heet Mimi. Dit wilde en aantrekkelijke nichtje van Julius woonde een tijdje bij het gezin in huis en dreef alle mannelijke bewoners tot heimelijke geilheid. Simons zet haar eendimensionaal neer, om zo te benadrukken dat twee mooie benen en een kont al genoeg zijn om de familie te ontwrichten.

Er valt absoluut kritiek op deze roman te leveren. Zo groeien Julius’ vader en broer niet uit tot personages die zich verheffen boven de bralballen die we al op de eerste pagina’s aantreffen. Maar daar staat tegenover dat het, net als in Zomerslaap, iets hypnotiserends heeft om naar iemand te luisteren voor wie er geen ‘hier-en-nu’ lijkt te bestaan. Ik heb me er geen ogenblik mee verveeld.

    • Sebastiaan Kort