De senaat stemt toch wel voor

Senatoren stemmen eigenlijk altijd voor de begrotingen van de ministeries. Ook de senatoren van de oppositie.

Minister Jeroen Dijsselbloem (Financiën, PvdA) maakt zich „geen heel grote zorgen”, zei hij vorige week, na de vraag of de kabinetsplannen voor volgend jaar wel door de senaat komen. Het kabinet komt met 5 miljard euro lastenverlichting. De ene partij kan méér dan die 5 miljard willen en de andere zou het bedrag liever anders invullen, „maar dat is toch iets anders dan tégen stemmen”, zei hij nonchalant.

De stemgeschiedenis in het parlement geeft Dijsselbloem groot gelijk. Wie een blik op die stemverhoudingen werpt, ziet dat het bijna potsierlijk is om te denken dat de senaat een begroting zou wegstemmen.

Nederland is en blijft een consensusland. Van alle wetgeving komt 77 procent door beide Kamers zonder tegenstemmen, zo berekende Simon Otjes, onderzoeker bij het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Bij begrotingen liggen de percentages nog hoger dan bij ‘gewone’ wetsvoorstellen. Sinds 1998, berekende Otjes, stemt in de senaat 99 procent van de fracties vóór.

Tijdens het tweede kabinet-Rutte lag dat percentage tot nu toe op 96. De gemiddelde meerderheid voor de begrotingen van dit kabinet ligt op 72 van de 75 zetels. Zelfs de altijd kritische flankpartijen stemmen overwegend voor de financiële plannen. De PVV van Geert Wilders stemde in met 71 procent van de begrotingen, de SP met 95 procent.

Voor senatoren valt bij begrotingen nog minder te halen dan bij ‘gewone’ wetsvoorstellen. Het budgetrecht, het recht om met miljoenen te schuiven, ligt primair bij de Tweede Kamer. De Eerste Kamer doet begrotingswetten zelfs vaak af als hamerstuk.

Wil deze chambre de réflexion dus werkelijk een begroting wegstemmen, dan „moeten de senatoren van heel goeden huize en met zeer inhoudelijke argumenten komen”, zegt Wim Voermans, hoogleraar staatsrecht. „De senaat heeft helemaal geen mandaat om tot op het kleinste detail mee te besturen.” Bovendien, zegt Voermans, zal de buitenwereld zulk wegstemmen vooral als onderdeel van het politieke spel beschouwen. De kiezers zullen dan ook zien dat het enige doel is geweest om het kabinet in de problemen te brengen. Als enige fractie tegen een begroting stemmen is heel iets anders dan een begroting werkelijk verwerpen. „Is dat de prijs van oorlog waard, zullen de fracties zich afvragen.”

Toch gaat de coalitie binnenkort over in elk geval twee onderwerpen met enkele oppositiepartijen in gesprek, om de garantie op een senaatsmeerderheid te krijgen. Want het ging deze kabinetsperiode natuurlijk wel degelijk mis, zij het incidenteel. Vier wetsvoorstellen liepen stuk in de senaat. Eén keer leidde dat tot problemen binnen het kabinet: in december 2014 stemden drie PvdA’ers tegen de inperking van de vrije artsenkeuze.

Onderwerp één is de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarvan zegt haast de voltallige oppositie dat het zó niet kan. Nummer twee is het belastingplan, oftewel de lastenverlichting. Het CDA is er op zich voor, maar wil een aanpassing van de vermogensrendementsheffing. Die heffing zorgt ervoor dat mensen met een vermogen boven de 100.000 euro meer belasting gaan betalen.

De oppositie laat deze kans om geld binnen te halen heus niet aan zich voorbij gaan. Arie Slob van de ChristenUnie sprak vorige week in het debat veelbetekenend over „zeg maar zeventienzetelmoties”, verwijzend naar het aantal stemmen dat VVD en PvdA tekortkomen in de senaat. Hij wil meer geld voor chronisch zieken en meer vergroening in de belastingplannen.