Alsof je loopt over de Nachtwacht

Morgen opent Ons’ Lieve Heer op Solder na een restauratie van zes jaar. Meer dan een Amsterdams museum is het een 17de-eeuws woonhuis, met op zolder een katholieke huiskerk.

De vergelijking gaat wat mank en de museumdirecteur maakt hem dan ook niet. Maar de buitenstaander zou het kunnen bedenken. Bij ons, zegt ze, is het alsof je over de Nachtwacht lóópt. En, zegt ze ook: wij zijn tijdens de verbouwing nog geen dag dicht geweest. En oh ja, het budget is al die tijd niet overschreden.

Na een restauratie van zes jaar die iets meer dan tien miljoen euro heeft gekost, opent directeur Judikje Kiers morgen in aanwezigheid van koningin Máxima het vernieuwde museum Ons’ Lieve Heer op Solder. Ter vergelijking: het Rijksmuseum was tijdens de verbouwing tien jaar gesloten voor publiek (de Nachtwacht en andere 17de-eeuwse topstukken waren te zien in de Philipsvleugel). De verbouwing kostte 375 miljoen, bijna twee keer zoveel als oorspronkelijk voorzien.

Er is nog een verschil: de kans is groot dat u nog nooit van Ons’ Lieve Heer op Solder hebt gehoord. Wij zijn, zegt Judikje Kiers, „een museum voor op de derde dag”. De eerste dagen in Amsterdam gaan mensen naar het Rijks, het Van Gogh en het Anne Frankhuis. En dan, op de derde dag, horen ze misschien van anderen over dat kleine museum in de buurt van het station. Lopen ze er eerst voorbij. En komen dan binnen in wat nog het meest lijkt op een schilderij van Vermeer.

Wat is Ons’ Lieve Heer op Solder voor museum?

Om te beginnen: het is eigenlijk een huis, een grachtenpand aan de Oudezijds Voorburgwal dat in 1661 werd gekocht door een vermogende katholieke koopman, Jan Hartman. Hij kocht ook de twee panden erachter, die lagen aan de Heintje Hoekssteeg. Vervolgens liet hij de bovenste verdiepingen van de drie huizen met elkaar verbinden. De zolderverdieping richtte hij in als kerk.

Die kerk was een huiskerk, zoals er in die tijd enkele tientallen waren in de stad. Want toen de protestanten de macht hadden overgenomen, moesten de rooms-katholieken – zo’n twintig procent van de stadsbevolking – hun kerken afstaan. Alleen als ze ervoor zorgden dat dat niet zichtbaar gebeurde, mochten ze hun geloof nog belijden. Dus stond in de Heintje Hoekssteeg voortaan op zondag een lange rij, feitelijk verboden bezoekers voor de deur van Jan Hartman, zoals je dat een paar honderd jaar later in datzelfde Wallengebied zou zien voor coffeeshops en prostitutieramen.

Natte jassen, modderige schoenen

Is dat tolerantie, intolerantie of praktische tolerantie? Over die vraag kunnen bezoekers nog altijd nadenken als ze even gaan zitten op de bankjes van de zolderkerk.

Alleen, van die bezoekers kwamen er de afgelopen jaren steeds meer: 50.000 in 2002, 100.000 vorig jaar. Met hun natte jassen en bemodderde schoenen liepen ze de authentieke eikehouten trappetjes op en af, door de nog intacte ontvangstkamer (‘de Sael’) en de Daghkamer van het gezin Hartman, naar de kerk op de zolderverdieping. En dan weer terug, via de 17de-eeuwse keuken en de ook nog historische steegwoning voor de inwonende priester. Vaak, want het is er klein en nauw, leunden ze tegen de muren om andere bezoekers langs te laten. In vergadernotulen, zegt directeur Judikje Kiers, „kwamen steeds vaker opmerkingen te staan over slijtage en dat daar wat aan gedaan moest worden”.

Vanaf morgen is alles anders. Het bezoekadres is dan niet langer Oudezijds Voorburgwal 40 maar 38: het huis aan de andere kant van de Heintje Hoekssteeg. Dat pand huisvest sinds de verbouwing de entree, de garderobe, een winkel, een klein café en ruimtes voor educatie en presentaties. Nadat je daar je jas hebt opgehangen, kun je via een ondergrondse passage naar het eigenlijke museum, waar manden met plastic overschoenen klaar staan.

Oudezijds Voorburgwal 38 is vormgegeven door de Amsterdamse architect Felix Claus, die het „een persoonlijk project” noemt: „Ik heb altijd in de binnenstad gewoond, nu kon ik wat teruggeven.” De buitenkant is steen voor steen afgebroken en met diezelfde stenen, maar in een modern ontwerp (nummer 38 was geen monument) weer opgebouwd.

Een grote, spierwitte kelder

Dat neerhalen van Oudezijds Voorburgwal 38 was nodig voor de bouw van de ondergrondse passage, in feite een grote, van binnen spierwitte kelder, half onder het pand en voor de andere helft onder de steeg. Ook de rest van het entreegebouw is van binnen wit, met aan alle kanten grote ramen en overal alleen maar kaarsrechte hoeken. In het eigenlijke museum is dat precies andersom: alles is er een beetje verzakt, de ramen zijn klein en de kleuren donker.

Hier heerst de sfeer van toen: het pleisterwerk in ‘de Sael’ is weer geel met een vleugje oranje, zoals Jan Hartman het nog liet aanbrengen. Langs de wanden van de Daghkamer hangen opnieuw geweven gordijnen, in de 17de eeuw gebruikelijk om de warmte binnen te houden. En overal is het schemerig: de wandlampjes geven niet meer licht dan vroeger de kaarsen, zodat je de schilderijen (waaronder een riviergezicht van Jan van Goyen en een rotslandschap van Jacob van Ruisdael) bijna over het hoofd ziet. Ons’ Lieve Heer op Solder, zegt Judikje Kiers, „is geen kunstmuseum, maar een woonhuis zoals het er indertijd uitzag”. En toen waren er nog geen lichtspotjes op schilderijen gericht.

Jan Hartman zou veel herkennen, kortom. Maar niet de zolderkerk. Die is gerestaureerd in 19de-eeuwse stijl. De reden? „Anders hadden latere toevoegingen als het orgel en het communiehek moeten verdwijnen”, zegt conservator Thijs Boers. De kleuren zijn er dus anders dan in de rest van het huis, over de planken liggen biezen matten en er is meer licht: in 1862, het jaar dat als uitgangspunt is genomen, waren er al gaslampen.

Vanaf dat jaar bleef de kerk nog 25 jaar in gebruik, waarna het huis in 1888 werd geopend als museum. Daarmee is Ons’ Lieve Heer op Solder het op een na oudste museum van Amsterdam. Het Rijksmuseum opende in 1885, drie jaar eerder.

    • Gretha Pama