Als er al een week niet meer om je gelachen is

Eigenlijk moest het over cartoons gaan, maar in zijn nieuwe boek Leve het welwezen vertelt Kees van Kooten met zelfspot over zijn hartaanval. Soms neemt de fictie het er over van de feiten, wat de pret vergroot.

Kees van Kooten zou een boek over cartoons schrijven. Over de kracht van de getekende grap, over grootheden als Saul Steinberg, over The New Yorker (abonnee sinds 1972!), over Stefan Verwey en anderen. Het voorschot van de uitgeverij was overgemaakt, tentoonstellingen waren bezocht en kilo’s tekenboeken werden meegezeuld. Hij hoefde het boek alleen nog te schrijven. Tot Van Kooten een jaar geleden een hartinfarct kreeg en uiteindelijk met een vijfvoudige bypass weer werd opgelapt.

Het nu verschenen Leve het welwezen is dat bedoelde boek over cartoons: er staan tientallen tekeningen in en achterin staan korte biografietjes van de kunstenaars. Maar in de eerste plaats is het een boek waarin Van Kooten (74) verslag doet van die hartaanval en het daaropvolgende ziekenhuisverblijf. Het resultaat is ouderwets Kootse autofictie: in een geestig mengsel van zelfspot en koketterie vertelt Van Kooten over pijntjes in de borst, klussen aan het vakantiehuis en het leven als ziekenhuispatiënt. Daarbij neemt de fictie het soms over van de feiten, maar wáár dat precies gebeurt, is de vraag. Dat begint meteen al bij de eerste zinnen: ‘Laten we wel wezen: al vijf jaar lang had ik last van abrupte plasdrang en moest ik broeken met een rits in de gulp. Droeg ik een broek zonder ritsgulp, dan plaste ik steevast een knoop of twee te vroeg. Staan dansen om het op te houden hielp niet meer.’

Cartoons gaan nooit over geluk

Van Kooten relativeert er op los waar het gaat om zijn gezondheid (‘ik ben in mijn leven wel dertig keer gestopt met roken en heb mij uitbundig bezondigd aan zoute drop, bonbons, witte chocolade, wienerschnitzels, artistieke pijpen, hasj, cocaïne, rode wijnen, softe en harde porno, foute boters, topzware sauzen, verkeerde broden, te vette frieten en vijfentachtigduizend bitterballen’) maar vlak onder het oppervlak zit de wetenschap dat deze woordspelige patiënt er bijna was geweest. En dat wij, de fans, dat allemaal mogen weten: het gedoe met slangen, de verwarring, het huilen en het delirium – dit boek is óók een inkijkje in het privéleven van de Bekende Nederlander Kees van Kooten. Of van wat die Bekende Nederlander daarvan prijs wil geven, want wanneer Van Kootens kamergenoot Hartman blijkt te heten, weten we dat de patiënt weer aan de verzinnende hand is.

Hartman, een oud-stationschef, blijkt in het bezit van een boekje met oude én oubollige cartoons uit het NS-medium Tussen de rails en zo worden we alsnog het eigenlijke onderwerp van het boek binnengeleid. Van Kooten legt niet alleen uit wat hem niet bevalt aan de suffe mopjes van Hartman, maar legt ook uit hoe sommige grappen beter zouden kunnen – humor is immers zijn vak. Al moet deze geboren komiek in zijn ziekenhuisbed constateren dat er al een week niemand om hem heeft gelachen.

Zo staat er verstopt in het boek wel degelijk een fenomenologie van de cartoon: waarom die altijd draait om ongelijkheid, nooit over geluk gaat en over hoe de lol er snel af is als tekst en tekening niets aan elkaar toevoegen.

Wat dat laatste betreft moet Bob Mankoff, de cartoonbaas van het bewierookte The New Yorker, het ontgelden. Zowel diens tekeningen als diens smaak zijn voor Van Kooten onder de maat – en niet alléén omdat Mankoff eens tien tekeningen van Kamagurka terugstuurde met even veel verslechterende verbeteringen. Het leidt, we naderen dan het einde van het verhaal, tot een radicaal besluit: Van Kooten zegt zijn abonnement op The New Yorker op. Dat is een verrassende wending, die echter niet op zichzelf staat. Want aan het slot van het boek, het woord pensioen is al eerder gevallen, wordt ook het Franse buitenhuis van de Van Kootens verkocht: ‘Die reis erheen, de vaste lasten, het achterstallig onderhoud, dat zwembad steeds opnieuw vorstvrij houden en uithozen en schoonspuiten!’ Daarmee komt Leve het welwezen in het teken van het afscheid te staan: Van Kooten wekt de stellige indruk voortaan alleen nog maar gek te willen doen voor zijn kleinkinderen.

Tweede kwartier van de verlenging

Die indruk wordt versterkt door de slotzin van het boek, waarin de auteur zich voorneemt om nu dan echt snel aan dat boek over cartoons te beginnen: ‘Maar dan ook geen dag later, want het horloge van de scheids stond even stil, maar tikt nu onverzettelijk verder, en ik speel in het tweede kwartier van mijn verlenging, laten we wel wezen.’

Of dat schijnbewegingen zijn of niet: Van Kooten is in Leve het welwezen uitstekend op dreef. En waarom dat zo is, staat ook in het boek zelf, op de plaats waar hij betoogt dat een cartoon niet over geluk kan gaan. Van Kooten zelf is dol op geluk en soms hellen zijn boeken over naar een overdosis nostalgisch welbevinden. Dat geldt niet voor deze speels geschreven en toch leerzame ziektegeschiedenis. Hier geldt een cartoonwet die Van Kooten zelf in het begin van het boek formuleert: ‘Er moet een barst in zitten.’

    • Arjen Fortuin