5 mantra’s over de markt die niet kloppen

Het toverwoord van de afgelopen jaren: marktwerking. De markt als oplossing van zowat alle problemen. Volgens Koen Haegens berusten de meeste mantra’s op misverstanden.

Foto Missouri State Archives

De Prinsjesdagdiscussies tonen het aan: de markt is alom aanwezig. En ogenschijnlijk oppermachtig. Van supermarkt tot arbeidsmarkt, van woningmarkt tot relatiemarkt. We leven in een markteconomie – toch? Er is één probleem met dit verhaal: het is een mythe.

Ten eerste omdat een te groot deel van alle economische activiteiten plaatsvindt buiten de markt. Natuurlijk, datgene wat zich afspeelt binnen ministeries, ziekenhuizen en universiteiten heeft weinig te maken heeft met echte marktwerking. Maar ook binnen bedrijven en andere organisaties is (intern) de marktwerking ver te zoeken. En wat te denken van alle onbetaalde zorg die verricht wordt in gezinnen en andere gemeenschappen? Daar staat doorgaans geen enkele vergoeding tegenover. Van een markt kan dan geen sprake zijn.

Ten tweede: ook waar markten wél een grote rol spelen, blijken ze in de praktijk heel anders te functioneren. Markten zijn niet de anonieme, soepel functionerende mechanismen waar uit vraag en aanbod een prijs rolt. Veel draait er om samenwerking en vertrouwen, maar ook om (quasi-)monopolies, vriendjespolitiek en bovenal: macht.

Wie door zo’n kritische bril kijkt naar hoe wij in Nederland over ‘de markt’ praten, stuit op het ene na het andere hardnekkige misverstand. Daarom: vijf marktmantra’s die we nooit meer hoeven te geloven.

1) Maak huren marktconform

Zo staat het in het regeerakkoord: „De huren worden richting marktconform niveau gebracht.” Met dat doel voor ogen zijn de huren fors gestegen. Inmiddels liggen ze gemiddeld 17 procent hoger dan vijf jaar terug. Er is één probleem: wat met ‘marktconform’ bedoeld wordt, blijft onduidelijk. Je kunt in Nederland amper spreken van een woningmarkt. Dat suggereert dat de prijzen van koopwoningen vooral bepaald worden door vraag en aanbod. Niets is minder waar. Tussen 1995 en 2008 stegen de huizenprijzen met 250 procent. „Vooral de financieringsruimte dreef de prijs op, aanbod speelde nauwelijks een rol”, schreef de parlementaire onderzoekscommissie Huizenprijzen hierover in haar eindrapport.

Met andere woorden: de prijs van een koopwoning hing af van hoeveel mensen mochten lenen. En daarover beslist de overheid. Die stond banken toe dat zij hun kredietverstrekking almaar uitbreidden. Die deelde subsidie uit in de vorm van de hypotheekrenteaftrek. En die gaf ook haar goedkeuring aan financiële innovaties, zoals de aflossingsvrije en de beleggingshypotheek. Het geeft de pleidooien voor ‘marktconforme huren’ een wrange bijsmaak. Huurders betalen zich blauw, omdat ze zich moeten conformeren aan de van overheidswege opgeblazen prijs van koopwoningen.

2) (De)reguleer de banken

Je kunt de kampen zo uittekenen. Links wil de financiële sector verder reguleren, rechts het omgekeerde: dereguleren. Minder regels dus. Dat is een schijndebat. Deregulering betekent niet per definitie dat er minder wetten en regels komen. Er komen andere wetten en regels. Dat is wat er vanaf de jaren 80 met de financiële wereld is gebeurd: regels werden niet zozeer afgeschaft, als wel veranderd, in dit geval in het voordeel van banken en andere kapitaalkrachtige partijen. Regulering is niet iets waar je voor of tegen kunt zijn. Het gaat erom wat voor regels je wilt, in wiens belang.

3) Topinkomens zijn marktwerking

In de jaren zestig verdienden Amerikaanse CEO’s twintig tot veertig keer zo veel als hun doorsnee werknemers. Tegenwoordig krijgen zij driehonderd keer meer. Ook in Nederland stijgen de beloningen aan de top: alleen al in 2014 met ruim 36 procent. Hoe kan dat? Voorstanders wijzen graag op een internationale markt voor toptalent. Wie beter kijkt, ziet dat daar amper sprake van is. Hoe verklaar je anders dat Amerikaanse CEO’s zoveel meer verdienen dan hun Duitse of Japanse collega’s, zelfs al leiden die succesvollere bedrijven? In werkelijkheid wordt over het inkomen van topbestuurders beslist door beloningscommissies of raden van commissarissen. De betreffende CEO’s zitten dicht bij het vuur en kennen doorgaans alle betrokkenen; de perfecte positie om dit proces te beïnvloeden. Politici die hier paal en perk aan willen stellen, hoeven niet bang te zijn dat ze de gezonde werking van de markt verstoren. Daar is in dit geval helemaal geen sprake van.

4) Weg met de bureaucratie, ruim baan voor de markt

We zijn gewend bureaucratie gelijk te stellen aan big government. In feite kennen grote bedrijven net zo goed bureaucratieën. Nog belangrijker: de markt zelf kan niet functioneren zonder bureaucratie.

De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Douglass North kwam met het voorbeeld van de ‘soek’, de rommelige koopjesmarkten in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Op het eerste gezicht beantwoordt die aan het populaire beeld van een vrije markt: honderden kleine aanbieders, verwikkeld in felle concurrentie, schijnbaar zonder opdringerige staat in de buurt. In de praktijk blijkt zo’n gedroomde markt inefficiënt. Om goed te kunnen functioneren, laat North zien, heeft een markt standaarden, transparantie, rechtspraak nodig. Kortom: overheidsbemoeienis. Dat is de marktparadox. Hoe vrijer de markt lijkt voor ons, hoe inefficiënter zij is. Het omgekeerde geldt ook: hoe efficiënter een markt functioneert, hoe meer bureaucratie dat zal vergen.

5) Laat de overheid de markt temmen

De moeder van alle marktmisverstanden. Den Haag is al jaren in de greep van deze schijntegenstelling. Rechts wil meer markt, links meer overheid. In werkelijkheid zijn markten en overheden zo innig met elkaar verstrengeld dat moeilijk te zien is waar de een ophoudt en de ander begint. Staten creëren, onderhouden en stimuleren markten. Zonder hun bemoeienis kunnen de financiële markten opnieuw als een kaartenhuis ineen storten.

Belangrijker dan of je voor of tegen ‘de markt’ bent, is daarom de vraag over welke markt we het hebben – en of daar überhaupt wel sprake van is. Als politici de consequenties hiervan echt doordenken, dan breekt dat veel vastgeroeste ideologische discussies open. In dat geval zou Prinsjesdag 2016 iets worden om nu al reikhalzend naar uit te kijken.