‘Wij hebben die mensen niet nodig’

Waarom is er in Oost-Europese landen weinig solidariteit met vluchtelingen? Werkloosheid en xenofobie spelen een rol. Politici versterken de negatieve sfeer.

Zaterdag demonstreerden enkele honderden mensenbij het regeringsgebouw in Praag tegen ‘de islam’. Foto Filip Singer / EPA

Zijn Oost-Europeanen vergeten hoeveel landgenoten vorige eeuw naar het Westen trokken, op de vlucht voor oorlog en dictatuur of op zoek naar werk? Dat lijkt zo, afgaande op het standpunt van een groep Midden- en Oost-Europese regeringen in het asieldebat. Samen verzetten zij zich tegen Europese besluiten die ertoe leiden dat hun minieme migrantenpopulaties met enkele duizenden nieuwkomers zouden groeien.

Asociaal en hypocriet? Integendeel, vindt de Hongaarse historicus Áron Máthé. „De Hongaren van 1956 renden weg van een herstelde totale dictatuur”, schrijft Máthé op de regeringsgezinde blog Mozgástér over de duizenden mensen die via Oostenrijk vluchtten na de opstand van 1956 die bloedig werd onderdrukt door de Sovjet-Unie. „Die Hongaren waren politieke vluchtelingen”, aldus Máthé. „Maar de meerderheid van de massa’s van nu is voor de armoede vertrokken.”

Máthé’s opvatting kent vele varianten van Praag tot Boekarest, maar de basis is: onze migranten waren legitieme vluchtelingen, de Syriërs, Afghanen en Irakezen van nu zijn ‘gelukzoekers’ die niet thuishoren in Europa. Zo toont het vluchtelingendebat – 25 jaar na het uiteenvallen van het Oostblok en tien jaar nadat de eerste Midden-Europese staten zijn toegetreden tot de EU – een keerzijde van de democratische overgang sinds 1989. Het zijn niet de vermeende Europese kernwaarden, zoals tolerantie en solidariteit die de boventoon voeren in het discours, maar eigenbelang en de nadruk op Europa als een christelijk, autochtoon bastion.

Eenrichtingsverkeer

Het neergehaalde IJzeren Gordijn blijkt nog steeds een mentale scheidslijn: West-Europese landen verwachten solidariteit bij de verdeling van asielzoekers over de lidstaten van de EU. Maar in de Oost-Europese optiek lijkt solidariteit om eenrichtingsverkeer te gaan. Europese subsidies en vrij verkeer voor de eigen bevolking zijn welkom. Maar de lasten, waartoe migranten gerekend worden, niet. Zelfs als het om politieke vluchtelingen gaat, die per definitie in aanmerking komen voor asiel. Peilingen illustreren dat: 38 procent van de Polen wil ook uit die groep niemand opnemen, net als 35 procent van de Hongaren.

Politici versterken de negatieve sfeer rond migratie. Terwijl rechtse activisten, van de Poolse hoofdstad Warschau tot het Slowaakse grensstadje Gabcikovo, de afgelopen weken met duizenden marcheerden tegen de komst van vluchtelingen, omschreef president Andrzej Duda van Polen het idee van verplichte herverdelingsquota als Europees ‘dictaat’.

De stafchef van de Hongaarse premier Viktor Orbán verklaarde: „Ik denk niet dat Hongarije ook maar één immigrant uit Afrika of het Midden-Oosten nodig heeft.” De Slowaakse regering deelde in augustus mee dat ze liever alleen christenen opneemt, als er dan toch vluchtelingen zouden komen. Het land heeft immers geen moskeeën, aldus een woordvoerder. Moskeeën zijn inderdaad niet zichtbaar in de openbare ruimte maar de tienduizend moslims hebben in de hoofdstad Bratislava wel gebedsruimtes.

De achtergrond van de anti-migratiestemming is complex. Het beperkte aanbod aan goede banen maakt de angst voor nieuwkomers voorstelbaar. „We hebben zelf geen werk”, is een van de meest gehoorde verzuchtingen van gewone burgers op de vraag of de landen van Oost-Europa vluchtelingen moeten opnemen. In die zin zijn veel lokale inwoners en migranten het vaak roerend eens: ook zij willen hier niet blijven, maar liever doorreizen naar Duitsland of Zweden, waar wel goedbetaald werk en sociale voorzieningen zijn.

Maar ook xenofobie speelt onmiskenbaar een rol. Van de Hongaren wil 78 procent geen Arabieren; 55 procent van de Polen wenst geen vluchtelingen uit het Midden-Oosten of Noord-Afrika. Oost-Europese samenlevingen zijn grotendeels cultureel homogeen. Veel inwoners willen dat dat zo blijft. Bestaande minderheden als de Roma vormen veelal de impopulaire onderklasse, die in de media gerelateerd wordt aan criminaliteit en anti-sociaal gedrag.

Daarbij komt specifieke angst voor de islam. Die wordt niet alleen gevoed door regeringsretoriek – de Slowaakse premier Robert Fico waarschuwt bijvoorbeeld voor terroristen die zich schuil zouden houden onder de vluchtelingen. Ook sociale media vormen een invloedrijke factor.

Op Facebook, Twitter, maar ook in levenden lijve worden regelmatig zorgen geuit over de vermeende islamisering van landen als Nederland. Die boodschappen hebben ze vaak opgepikt bij West-Europese extreemrechtse bronnen.

„Nederland was voor ons lang de belichaming van democratie”, zegt Jiri Pehe, voormalig adviseur van de Tsjechische president Václav Havel. „Nu zien we al die gekke lui ook daar haat prediken tegen moslims enzovoort.”

Tegelijk houden vooral oudere mensen het Westen verantwoordelijk voor bruuske veranderingen in hun dagelijks leven. De vluchtelingenstromen, volgens velen aangewakkerd door de Duitsers en veroorzaakt door westers militair ingrijpen in het Midden-Oosten, zijn daar een nieuw voorbeeld van.

Gebrek aan solidariteit is volgens veel sociologen een kenmerk van de post-communistische ‘low trust societies’: wantrouwen en eigenbelang winnen het dan van het collectieve belang. „Aanvankelijk geloofden we dat de overgang naar stabiele democratie twee generaties zou duren”, zegt Pehe. „Maar ik ben niet zo optimistisch meer. Oudere generaties kunnen nog steeds niet omgaan met veranderingen. Communisme stond voor zekerheid. Misschien duurt het dus wel langer. Of gebeurt het nooit.”

    • Roeland Termote