Stiekem verzet dat het verval van de politieke cultuur blootlegt

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week: hoe Den Haag door Wildersangst werd gedreven.

Ofwel: stiekem procedureel verzet en een gênant zwijgen.

Tekst Tom-Jan Meeus Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Het was de week van de Wildersangst. De angst die de politiek ten diepste beroert. Maar ook de angst die Den Haag bij voorkeur onbenoemd laat.

Uiterlijk was er weinig aan de hand. We hadden Prinsjesdag en de Algemene Politieke Beschouwingen. Eerst de opening van het seizoen, daarna het debat van het jaar. Sleetse formules zijn het. Voorspelbaar en traag - maar ook nuttig.

Door het jaar heen weten fractieleiders van kleine partijen met mediamomentjes te doen alsof zij Den Haag naar hun hand zetten. Die pretenties worden in een week als deze gelogenstraft. Dan blijkt dat Den Haag domweg over te weinig meningsverschillen beschikt om het bestaan van al die partijtjes te rechtvaardigen.

Van dit laatste heeft Wilders natuurlijk geen last. Wilders staat zover van de anderen af, in inhoud en stijl, dat zij zich werkelijk geen raad meer met hem weten - zeker niet rond het vluchtelingenprobleem.

De beste illustratie was de gang van zaken woensdag, aan het begin van de avond, rond een uur of zeven. Een belangrijk tijdstip in elk debat: wie dan zijn eigen verhaal nog niet heeft gehouden, loopt het reële gevaar dat hij de best bekeken avondjournaals van RTL (half acht) en NOS (acht uur) alleen met interrupties van anderen haalt. Niet met het eigen verhaal.

En Algemene Beschouwingen zijn natuurlijk reuze belangrijk, maar zonder berichtgeving van jouw opvattingen in het televisienieuws zullen de meeste Nederlanders er nooit iets van vernemen. Vrijwel elke fractievoorzitter oefent tevoren een paar oneliners, op de seconde afgepast voor het televisienieuws. In de PVV noemen ze dit onze nieuwspuntjes.

Nu was er, net als vorig jaar, iets vreemds aan de hand met het ritme van die Algemene Beschouwingen. Ze begonnen half elf, en rond zeven uur ’s avonds stond pas de vierde spreker, Samsom (PvdA), achter het katheder. Wilders was als vijfde aan de beurt. Het begon al te schemeren.

Dus tegen zevenen, bevestigden getuigen me achteraf, stapte PVV’er Martin Bosma uit zijn Kamerbankje en liep op Kamervoorzitter Anouchka van Miltenburg (VVD) af, die hij fluisterend toesprak. Haagse insiders weten dat Bosma en Van Miltenburg prima met elkaar overweg kunnen. Van Miltenburg ligt vaak onder vuur in het dagelijks bestuur, en Bosma, een van de ondervoorzitters, kiest meestal haar zijde.

Aan hun lichaamstaal kon je zien, zeiden de getuigen, dat Bosma een nogal indringend verzoek deed. Van Miltenburg wekte de indruk dat zij er weinig voor voelde, Bosma ging zitten - en toen gebeurde het: Geert Wilders bewoog de handen, in gebedshouding, smekend in de richting van Van Miltenburg. Hij hoopte nog voor de avondpauze te mogen spreken.

Maar helaas. Van Miltenburg schorste de vergadering na Samsom, en Wilders betrad het spreekgestoelte pas toen het NOS Journaal bijna afgelopen was.

Toeval? Ik vroeg ernaar bij fractievoorzitters en presidiumleden, en die hielden het daarop: er was zoveel geïnterrumpeerd, ook door Wilders zelf, dat dit het onvermijdelijke gevolg was. Maar ik werd argwanend toen één fractievoorzitter me, nog voordat ik een vraag gesteld had, uitlegde dat ik niet moest denken dat hij en de collega’s dit hadden afgesproken.

En het vreemde was dat Wilders vorig jaar, als vijfde spreker, zijn eigen verhaal ook pas na de avondpauze mocht doen. In de PVV waren ze er woedend over.

Een blik in de Handelingen leerde me bovendien dat het twee jaar terug, toen Wilders nog eerste spreker bij de Algemene Beschouwingen was, héél anders liep. De PVV kwam in 2012 met vijftien zetels in de Kamer, in 2013 had nog niemand zich afgesplitst, zodat Wilders het debat in 2013 als grootste oppositiepartij mocht openen. Hij werd amper geïnterrumpeerd, en navraag bij de stenografische dienst van de Kamer leerde me dat de eerste dag van de Algemene Beschouwingen dat jaar om 19.56 uur sloot.

Ergo: destijds hadden, mede door een rem op interrupties, elf fractievoorzitters gesproken op hetzelfde moment dat afgelopen woensdag (en vorig jaar) de vijfde spreker nog moest beginnen. (Wilders is nu vijfde spreker omdat drie PVV’ers zich afsplitsten.)

Ik kan het niet aantonen – maar alles wijst erop dat de Wildersangst deze week zo groot was dat de procedures op oneigenlijke wijze tegen de PVV-leider werden ingezet. En wie dit prima vindt, of denkt: lekker puh, zou je erop willen wijzen dat hier het ware verval van een politieke cultuur begint. Wie procedurele willekeur inzet tegen ongewenste opvattingen, gedraagt zich minstens zo ongewenst als degene die hij denkt te bestrijden.

Het voorval illustreerde, denk ik, de omvang van de Wildersangst die deze week rondwaarde. Het was duidelijk dat hij de vluchtelingencrisis zou gebruiken om het goede economische nieuws van de coalitie weg te drukken. En toen hij woensdagavond in de Kamer dan eindelijk spreektijd kreeg, en al die krachttermen eruit rolden, over een „radeloos en bang” volk, over „verzet” tegen de „mosliminvasie” annex „asieltsunami”, over „patriotten” die tegen „de capitulatie van Nederland” opstaan, toen zag je, aan de gebeten reacties en interrupties, aan de lichaamstaal van zwijgende Kamerleden, dat deze generatie politici wordt gepijnigd door de vrees dat deze man misschien wel gelijk heeft.

Na hem werd nog een lange avond gesproken, maar de zuurstof was uit de Kamer, het was klaar, en dat typeerde de situatie: Wilders had het debat naar zijn hand gezet. Ook al zagen de journaalkijkers het niet.

Zijlstra, van de VVD, had er vermoedelijk de verstandigste reactie op. Hij distantieerde zich van Wilders én van Kamerleden die applaudisseerden nadat de PVV-leider gemeenten met een asielopvang opsomde. Inderdaad: wie denkt dat hier met polarisatie tegen Wilders iets te winnen valt, dat je goed bent als je voor opvang bent en slecht als je daar scepsis over hebt, levert precies wat de PVV-leider nu al een decennium van Den Haag smeekt: politieke opponenten die de brandstof van zijn aanhang zijn.

De ergernis van Zijlstra over dat applaus trof overigens ook Rutte, want die klapte mee – opnieuw een teken dat de VVD-top lijdt onder de samenwerking met de PvdA.

Wilders zelf vloog donderdag, nogal karakteristiek, uit de bocht door de Kamer te typeren als „nepparlement”, alleen omdat de Kamer niet handelt volgens zijn opvattingen (en de laatste peilingen). Een instituut waarin hij zelf zeventien jaar zit, waarvoor hij zich zesmaal verkiesbaar stelde. Het legde, niet voor het eerst, zijn achilleshiel bloot: bij hem bestaat politiek alleen uit woorden, nooit uit daden.

Op dat moment van hoogspanning had Pechtold, van D66, de moed Wilders, met zijn eenmanspartij, toe te roepen dat hij de „ballen verstand” van democratie heeft. Het stond in schril contrast met Kamervoorzitter Van Miltenburg, die het aanhoudende gebruik van nepparlement zwijgend liet passeren, alsof het kritiek op de kroketten van de buurtcafetaria betrof.

En zo zagen we deze week waar de Wildersangst de Kamer heeft gebracht: stiekem procedureel verzet waar fairheid geboden was, en een gênant zwijgen waar een krachtig weerwoord op zijn plaats was geweest.

Dit weekeinde zullen er vast peilingen zijn die virtuele zetelwinst voor de PVV registreren. En deze week bleek me dat alwéér een VVD’er speelt met de gedachte eventueel uit de fractie te stappen. Terwijl Rutte op Prinsjesdag, toen ik hem met schrijvende journalisten in het Torentje opzocht, vertelde dat „de rit uitzitten” voor hem „geen doel op zich” is.

Ik zou zeggen: met dit vluchtelingenprobleem en deze Wildersangst als realiteit, en deze fragiele coalitiepartijen als omstandigheid, is het zo gek niet er toch maar even een doel op zich van te maken. Tenzij hij Wilders’ neppartij wil helpen de grootste van het land te worden.