Onbekend reuzenvirus gevonden in Siberië

Mollivirus is een nieuw type reuzenvirus. Het 'staartje' is iets anders. IGS CNRS/AMU

In de Siberische permafrost blijkt een onbekend reuzenvirus ingevroren. Na 30.000 jaar is het nog altijd besmettelijk – gelukkig alleen voor amoeben. Dat maakte een voornamelijk Frans team van virologen vorige week bekend in PNAS (online). Ze noemden het eivormige virus Mollivirus sibericum.

Voor het team is de permafrost vruchtbare aarde. In hetzelfde Russische grondmonster ontdekten zij vorig jaar óók al een ongewoon reuzenvirus. Beide virussen zijn uniek. Geen van beide heeft moderne familieleden, en ze zijn ook niet aan elkaar verwant.

Het eerste reuzenvirus werd in 2003 beschreven, ook door een Frans team. Sindsdien zijn er een tiental gevonden. Die behoorden tot vorig jaar tot twee basistypen. De twee virussen uit de permafrost – Pithovirus en Mollivirus – vertegenwoordigen basistypen drie en vier. (Of vertegenwoordigden – ze kúnnen uitgestorven zijn.) Reuzenvirussen zijn voor mensen ongevaarlijk. Ze infecteren eencelligen, vooral amoeben.

Reuzenvirussen zijn ongeveer 0,5 micrometer groot. Dat is ongeveer tien maal zo groot als de meeste virussen, en bijna even groot als bacteriën.

Bovendien bezitten ze meer genen dan andere virussen. De grootste hebben meer dan duizend genen: veel meer dan nodig is voor een infectie. Een griepvirus kan met elf genen toe. Aan de genetische code van de reuzenvirussen te zien, hebben ze een complexe DNA-machinerie, maar de functie van de meeste genen is onbekend.

Dat alles geldt ook voor Mollivirus. Zijn genoom codeert voor 523 verschillende eiwitten, waarvan 64 procent in geen enkel ander virus of organisme gezien is. Het is ook pas het tweede eivormige reuzenvirus. De meeste hebben de vorm van een icosaëder (twintigvlak).

Nu in één grondmonster twee heel nieuwe virussen zijn ontdekt, werpen de onderzoekers de vraag op hoeveel onbekende virussen er nog meer op de wereld voorkomen. Vooral eivormige reuzenvirussen worden wellicht aangezien voor bacteriën.

    • Hester van Santen