Leren we het goede?

Kinderen krijgen op school niet de vakken die het meest van belang zijn voor hun beroepsmatige toekomst. Hoewel onderwijsdeskundigen het daarover eens zijn, blijkt het niet makkelijk te veranderen. Want wat moet je dan wél leren op school?

Foto Shutterstock, bewerking Fotodienst NRC

Het was een kans die de Limburgse mbo-scholen niet mochten missen: een fabrikant van zonnepanelen had zich in 2003 gevestigd in de buurt van Heerlen en na een paar jaar zouden er misschien wel zo’n 150 technici nodig zijn.

Het werd een pijnlijk voorbeeld op regionale bijeenkomsten over onderwijs en werk. Want er was veel overleg geweest over een speciale mbo-opleiding voor deze sector, maar studenten meldden zich er niet voor. En als je ergens de beroepen-van-de-toekomst kon vinden, dan toch wel in de duurzame energie?

In zijn kantoor in Woerden noemt Jan van Zijl, voorzitter van de mbo-raad en oud-Kamerlid voor de PvdA, de Limburgse solarindustrie ook als voorbeeld. Maar dan van iets anders: je weet nooit zeker wat voor werk er over een paar jaar zal zijn. De fabriek in Heerlen deed het helemaal niet zo goed als iedereen had verwacht en is drie weken geleden failliet gegaan.

Er verdwijnen banen door technologie, er komen banen bij – en soms toch ook weer niet. Wat moet je dan aan jongeren leren? En leren ze nu wel de juiste dingen?

Nee, zegt zo’n beetje iedereen met verstand van onderwijs en werk. Staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) heeft begin dit jaar de commissie ‘platform onderwijs 2032’ aan het werk gezet, onder leiding van socioloog Paul Schnabel, om hem erover te adviseren. Moeten er andere vakken worden gegeven of andere vaardigheden worden aangeleerd? Onderwijsexperts hebben het dan al snel over de 21st century skills: creativiteit, samenwerken, zelfreflectie, kritisch nadenken.

Eind dit jaar is de commissie klaar, over anderhalve week is er een voorlopig advies. Schnabel wil er nu nog niet veel over zeggen. Er is wel iets wat hem hoog zit: Nederlanders hebben altijd maar de neiging om negatief te zijn over zichzelf. Het Nederlandse onderwijs, zegt hij, staat nog steeds in de toptien van de wereld. En misschien moeten we het niet zo erg vinden om bijvoorbeeld in de scores voor wiskunde ingehaald te worden door landen als Zuid-Korea of China.

Daarmee ontstaat meteen een ander soort discussie: willen we dat onze kinderen worden gedrild of dat ze onafhankelijk leren nadenken, zich prettig voelen en bijvoorbeeld goed leren omgaan met veranderingen? Waar heeft een land meer aan?

Uit onderzoek door de club van rijkere industrielanden OESO blijkt dat Nederlandse leerlingen nog steeds heel goed zijn in lezen en wiskunde, maar steeds minder goed. En wie alléén kijkt naar de kans op werk, zou dat erg kunnen vinden. Het Centraal Planbureau (CPB) waarschuwde al in 2011 voor de gevolgen: uit studies blijkt dat de scores voor wiskunde sterk verband houden met lonen en economische ontwikkeling van een land.

Wiskunde, maar dan ook net zo goed Latijn. Lex Borghans, hoogleraar economie aan de Universiteit Maastricht en gespecialiseerd in arbeidsmarkt en onderwijs, zegt dat ambtenaren van het ministerie van Onderwijs moeten lachen als hij daarmee komt. „En toch is het verband bij Latijn sterker dan bij wiskunde: wie dat heeft gehad, heeft veel meer kans om later veel te verdienen dan iemand die dat niet heeft gehad.”

Het staat vast en zeker níét in het advies van Schnabel over het onderwijs van de toekomst: Latijn op alle scholen om de Nederlandse economie verder te helpen. Want het is juist andersom: kinderen die al meer kansen hebben in de maatschappij, kiezen vaker voor Latijn. Borghans: „Als mensen die goed zijn in wiskunde succesvol zijn, betekent dat nog niet dat ánderen even succesvol worden als je ze wiskunde leert.”

Met collega’s uit Maastricht en het CPB deed Borghans twee jaar geleden onderzoek onder achtduizend mensen: welke taken waren op hun werk het belangrijkst? In de topdrie stonden: ‘omgaan met collega’s’, ‘samenwerken in een team’, ‘goed luisteren naar collega’s’. Helemaal onderaan: ‘rekenen met wiskunde en statistiek’.

Robotisering

De vakken die nu op scholen worden gegeven, zegt Borghans, staan in het onderwijsprogramma omdat ze daar al heel lang in staan. En omdat we er leraren voor hebben. Die zijn niet zomaar te ontslaan en er komen ook niet zomaar duizenden informaticadocenten voor terug. „Ik weet daar geen oplossing voor. Maar we geven nu wel vakken over de techniek uit de vorige eeuw: scheikunde, natuurkunde. De grote doorbraken komen daar niet meer uit voort. Die komen uit programmeren. Waarom leren we dat niet heel serieus aan onze kinderen? Of communicatie? Wat je nu vooral moet leren is samenwerken en anderen overtuigen.”

Dat kan nuttig zijn voor basisscholen, havo’s, vwo’s. Je hebt er veel minder aan als je nu in het beroepsonderwijs een vak moet kiezen, zonder dat je weet welke technologische doorbraken er nog aan zitten te komen en welk effect die hebben op je leven en je werk.

Het kan nog steeds een goed idee zijn om technicus te worden in de solarindustrie. Het lijkt helemaal geen goed idee om een mbo-opleiding boekhouden, management, economie of recht te gaan doen. Studies over robotisering voorspellen dat juist middenklassebanen in die sectoren zullen verdwijnen.

Al meer dan tien jaar geleden hebben de ministeries van Onderwijs en Economische Zaken bedacht dat meer jongeren voor techniek zouden moeten kiezen. Robotisering was toen nog geen woord dat in Nederland een gevoel van urgentie opriep, het was wél doorgedrongen dat Nederland in de Europese Unie en de rest van de wereld sterk achterliep: minder dan twee op de tien jongeren koos voor techniek.

Er werd een stichting aan het werk gezet, Platform Bètatechniek, met als doel: vier op de tien jongeren kiezen voor een bètavak. Dat zou nodig zijn om internationaal bij te blijven in welvaart en economische groei. Voorspellingen van het Platform zijn nu dat er over een jaar of vijf een tekort ontstaat aan technisch personeel van zo’n 40.000 tot 5.000 mensen, vooral door de vergrijzing.

Of het door de gastlessen, projecten of subsidies van het Platform komt of niet, bij de stichting zijn ze tevreden over het vwo en de havo: daar volgt nu 40 (havo) tot ruim 50 procent (vwo) van de leerlingen een profiel met wis- en natuurkunde. Op universiteiten kiezen drie op de tien studenten voor een bètavak.

Maar in het beroepsonderwijs is het alsof er al die jaren niets is veranderd: zo’n 20 procent van de leerlingen kiest voor een technische richting. In het hbo neemt het aantal licht toe, in het mbo daalt het. Bij het Platform zien onderzoekers ook dat het aantal leerlingen dat én werkt én leert, in de ‘beroepsbegeleidende leerweg’, per jaar met duizenden tegelijk afneemt. En wat vooral opvalt: allochtonen halen hun onderwijsachterstand snel in, maar allochtone jongens moeten weinig hebben van techniek. Ze kiezen de witteboordenbanen die volgens technologie-experts snel kunnen verdwijnen door robotisering.

Mbo-raadvoorzitter Jan van Zijl maakt zich zorgen over de allochtone jongens die neerkijken op techniek en hij vindt dat het mbo er lang over doet om met een nieuwe studierichting te komen, samen met het bedrijfsleven: een jaar of acht – soms sneller. Maar de voorspellingen over grote tekorten in technische sectoren noemt hij „licht hysterisch”.

Een hightechbedrijf als ASML heeft wel altijd behoefte aan nóg meer middelbaar opgeleide technici. Maar verder? „Neem de installatietechniek. Daar konden wij de afgelopen jaren bijna geen student voor aannemen omdat bedrijven in de bouw door de crisis geen stageplekken hadden.” Het ministerie schrijft voor: het mbo mag een leerling alleen aannemen als er een stageplek is. Als bedrijven die niet aanbieden, komen er geen nieuwe studenten voor die sector. Daar kwam nog bij: het kabinet-Rutte II heeft subsidies voor stageplekken afgeschaft.

Maar je hoeft geen hightechbedrijf te zijn om stagiaires aan te nemen – crisis of niet. „Joop van den Ende nam de afgelopen jaren wel gewoon stagiairs van onze musicalrichting aan, zonder subsidie, en die krijgen bij hem altijd een baan.”

Bij het rijtje wiskunde en techniek, waarin Nederland het minder goed doet dan andere landen, hoort ook nog: excellentie. De héél slimme kinderen uit Nederland presteren steeds minder goed dan de slimste kinderen uit andere ontwikkelde landen, is de conclusie uit het langlopende OESO-onderzoek Programme for International Student Assessment (PISA). Die andere landen zijn Zuid-Korea en Japan, maar ook Zwitserland en Canada. Nederland hoort bij de groep ‘dalers’, landen als Duitsland, Italië en Polen doen het juist steeds beter. Daar staat tegenover dat de zwakke leerlingen in Nederland het beter doen dan de minder goede leerlingen in veel andere landen.

Ook daarbij rijst de vraag wat beter is voor een land: meer uitblinkers of is het juist een voordeel, ook economisch, minder achterblijvers te hebben? Het laat in elk geval zien welke politieke keuzes in Nederland zijn gemaakt.

Staatssecretaris Dekker praat nu veel over excellentie, er zijn ook allerlei projecten bedacht om die te stimuleren. Maar dat het ook voor Rutte II een ingewikkeld onderwerp is, blijkt bijvoorbeeld uit de manier waarop ‘excellente scholen’ worden aangewezen. Een speciale commissie beslist erover en de excellentie mag niet alleen blijken uit toetsscores of andere prestaties van de slimste kinderen, het gaat ook om de „omstandigheden waaronder een school werkt”.

In Nederland worden kennis en wetenschap ondergewaardeerd, zegt Jelle Jolles, hoogleraar neuropsychologie en oprichter van het Centrum Brein & Leren aan de Vrije Universiteit. Een topprestatie in sport vinden we allemaal geweldig, bij leerprestaties moet je volgens Jolles opletten: als je een jaar of dertien, veertien bent, lig je al snel uit de groep met je negens en tienen. „Vooral meisjes trekken zich daar veel van aan.” Jolles denkt dat de oplossing simpel is: we zouden met z’n allen zoveel mogelijk moeten benadrukken hoe belangrijk het is om nieuwsgierig en ondernemend te zijn. Want excellent word je niet alleen door je genetische aanleg. Uit onderzoek van Jolles onder excellente studenten blijkt hoe belangrijk ouders en docenten daarbij zijn. Kinderen (en studenten) doen het beter als ze hulp krijgen om hun leven op orde te houden, ook als ze begin twintig zijn. „Studenten hebben structuur nodig, en inspiratie. Als je vader jou voordoet hoe je iets in elkaar schroeft, als je een leraar hebt die je raakt door wat hij vertelt, dan sta je er al veel beter voor.”

Academische werkplaatsen

Jolles’ droom is dat er ‘academische werkplaatsen’ komen waarin mensen van allerlei achtergronden of vakgebieden meedenken over het onderwijs en meedoen. „Docenten zijn heel belangrijk, maar onderwijs is van iedereen. Het gaat níét alleen om onderwijzen, maar ook om ontplooiing en leren. Dan heb je bijvoorbeeld ook gedragswetenschappers nodig. Kijk nu naar de commissie van Schnabel over de toekomst. Bijna alle leden komen zelf uit het onderwijs.”

Dat was geen foutje, het was precies de bedoeling. Docenten, zegt Paul Schnabel, voelen zich vaak miskend. Als er nu een commissie was geweest van wetenschappers – „neurologen of noem maar op” – dan zou het nog moeilijker zijn geweest om leerkrachten ervan te doordringen dat er misschien van alles moet veranderen.

Al zullen zijn voorstellen niet diep ingrijpend zijn. „Dat kan niet na tien maanden. Daar heb je eerder tien jaar voor nodig.” Er komen wel aanbevelingen, Schnabel noemt er alvast één: meer en beter Engels op de basisschool. „Die taal beheersen wij niet goed genoeg. Het zou goed zijn om naar een soort tweetaligheid te gaan.”

Schnabel vindt het „propaganda” om vaardigheden als samenwerken, creativiteit en kritisch nadenken ‘21st century skills’ te noemen. Kinderen leren al heel lang om in groepjes van alles zelf te bedenken. „En Amerikanen die langskomen, zijn verbijsterd omdat gezag hier zo weinig vanzelfsprekend is.”

En programmeren als standaardvak? „Op zich is dat weinig zinvol. Je hoeft een auto niet te kunnen repareren om erin te rijden.” Natuurkunde vindt Schnabel juist weer wel nuttig. „Om te voorkomen dat je in de wereld van het bijgeloof terechtkomt. Die tendenties zijn er absoluut.”

Wat we op school niet meer zo dringend hoeven te leren? Netjes schrijven. Schnabel noemt het ‘schoonschrijven’. „Schrijven op papier, dat doe je nu alleen nog maar voor jezelf. Leer die kinderen blind typen.”

    • Petra de Koning