Ik verveel me

Het is de tegenhanger van de burn-out, de bore-out. Ernstige verveling op het werk kan leiden tot stress en zelfs depressies. Remedie: blijf je ontwikkelen.

Frouke Vermeulen. Foto Mieke Meessen met medewerking van www.spacesworks.com

Ik heb mezelf opgesloten op toilet, ik huil. Terwijl ik daar zit probeer ik te bedenken wat ik moet doen, maar ik weet het niet. Ik blijf dus maar zitten en begin de glanzende muurtegeltjes te tellen en merk onregelmatigheden op in de tegels en in de voegen ertussen.

Het is een fragment uit het deze week verschenen boek Vechten tegen verveling, waarin Frouke Vermeulen (34) beschrijft hoe ze zich zozeer verveelde op haar werk dat ze niet meer kon functioneren. Op die wc is ze twee uur blijven zitten. Als ze dan toch naar buiten komt, durft ze eindelijk de huisarts te bellen. De volgende avond zit ze beschaamd in de wachtkamer tussen mensen die naar haar mening écht ziek zijn. Maar de huisarts ziet de ernst van de zaak. Diagnose: de ambtenarenziekte.

Anders dan de term van deze huisarts doet vermoeden is ernstige verveling op het werk zeker niet iets wat alleen bij ambtenaren voorkomt. De Zwitserse organisatieadviseurs Peter Werder en Philippe Rothlin stellen in hun boek Bore-out dat ongeveer 15 procent van de kantoorwerkers zich zó verveelt dat ze er ziek van worden.

De symptomen lijken op die van een burn-out, want ook verveling levert stress op. Je voelt je prikkelbaar, apathisch, lamgeslagen en soms depressief. Maar de oorzaak is anders, want het komt niet door te veel werk, maar juist door een gebrek aan prikkeling, afwisseling, voldoening en energie. Als je permanent niet wordt uitgedaagd, ga je je vervelen en als je je constant verveelt, verlies je op den duur interesse in alles om je heen.

Toen Frouke Vermeulen tweeënhalf jaar eerder bij de consultancyfirma solliciteerde leek het een droombaan. Tijdens het schrijven van haar doctoraalscriptie las ze op de site van het bedrijf hoe flexibel en uitdagend werknemers hun baan vonden. Dat klonk aanlokkelijk, dus toen ze na haar studie biologie een vacature zag, aarzelde ze geen moment.

Maar al na enkele maanden bleek het werk veel saaier dan gedacht. Door de economische crisis was er weinig te doen, en ook de inhoud van het werk viel tegen. „Ik had de utopie samen te bouwen aan projecten die ertoe doen, maar de werkelijkheid was dat ik alleen aan iets zat te werken dat niet tastbaar was en mogelijk nooit meer bekeken zou worden”, vertelt ze in een Amsterdams hotel waar ze verblijft voor een congres.

Onder werktijd checkte ze steeds vaker haar privémail. Als collega’s voorbijliepen opende ze snel een Excelbestand, maar in werkelijkheid had ze niets te doen. „Op sommige websites en fora werd beweerd dat verveling op het werk gezever was en dat het per definitie luie mensen betrof. Ik begon me te schamen, dacht dat ik niet normaal was.”

Opgekropte frustratie

Voor de buitenwereld voerde ze een toneelstuk op. „Als mensen mij op een feestje vroegen wat ik deed, kon ik daar heel geboeid over vertellen.” Ze zet een overdreven enthousiaste stem op: „Als projectmedewerker bereken ik de risico’s van blootstelling aan chemische stoffen, van een productieproces tot aan de vuilnisbelt.” Ze vertelde er niet bij dat ze zich intussen doodverveelde.

Het is volgens organisatieadviseurs een bekend verschijnsel: mensen die zich erg vervelen, schamen zich daarvoor en zijn niet gauw geneigd iets aan hun situatie te veranderen. Maar juist acteerwerk en opgekropte frustratie kosten zo veel energie dat het probleem zich uitstrekt buiten kantooruren.

Aanvankelijk verheugt Vermeulen zich nog op de avonden en de weekenden. Maar na maanden van verveling is ze zo murw, dat ze ook thuis enkel nog voor zich uit kan staren. „Ik kwam om 17.20 uur van mijn werk. Deed mijn laptop open, checkte Facebook en drukte honderd keer op F5 om het beeld te verversen.”

Soms deed ze haar laptop dicht, keek door het raam en zag op de kerkklok de wijzers verschuiven. „Dan werd het donker, maar ik stond niet op om het licht aan te doen. Ik wilde niet naar bed, omdat de eerstvolgende activiteit weer mijn werk zou zijn.”

‘Het kan altijd nog erger, ik heb een goed betaalde baan met vast contract van onbepaalde duur en ik doe iets dat in de lijn ligt van mijn diploma’, herhaalde ze destijds als een mantra voor zichzelf. „In het begin hielpen die gedachten nog net voldoende om me enigszins op gang te krijgen, maar de periodes dat ik voor me uit zat te staren, werden steeds langer en ik moest een ontzettend groot beroep doen op mijn gedachtenkracht. Niet alleen om mezelf te motiveren om te gaan werken, maar ook om eten klaar te maken, af te wassen of te douchen. Het is alsof ik tegen de grond getrokken werd, met lood in de schoenen en gevangen in mijn lichaam. Er was altijd nog wel een stemmetje dat zei: ‘Kom op Frouke, doe iets!’ Maar dat stemmetje verloor, mijn lichaam ging gewoon op slot.”

Lichamelijke klachten

Waarom zoek je niet gewoon een andere baan, vroeg haar vriend en het lijkt een logische vraag. „Op het moment dat hij het vroeg, drie maanden voordat ik instortte, was ik al te apathisch om nog iets te ondernemen.”

Daarvoor had ze wel gesolliciteerd, maar ze wist ook niet goed wat ze dán voor baan zou willen. „Ik was namelijk wel goed in mijn werk en kreeg veel complimenten, daaruit concludeerde ik dat dit was wat ik moest doen.” Als ze bij haar baas klaagde dat ze weinig te doen had, antwoordde hij dat ze geduld moest hebben.

Pas toen ze ook lichamelijke klachten kreeg, besefte ze dat het zo niet langer kon. Ze kreeg buikkrampen, hartkloppingen en haar polsen ontstaken. De osteopaat die ze bezocht, schrok en zei dat ze dringend de stress in haar lijf moest kwijtraken. Stress? Hoe kan ze nou stress krijgen van niets doen? De huisarts legde het die dag na de wc-scène aan haar uit: langdurige verveling kan wel degelijk leiden tot stress, depressieve gevoelens, futloosheid, gebrek aan zelfvertrouwen, gebrek aan zelfrespect en totale demotivatie.

Frouke Vermeulen zou na die dag nooit meer terugkeren op kantoor. „Nu, ruim drie jaren later, besef ik dat ik te weinig afwisseling en uitdaging vond en te weinig deed wat me voldoening en plezier gaf.” Ze herkent nu het onderscheid tussen hoge kwaliteitsprikkels en lage kwaliteitsprikkels. „Die eerste maken moe en voldaan, de tweede maken moe en onvoldaan; dat levert interne stress op.”

Met een carrièrecoach vond ze uit wat voor werk haar wel zou kunnen boeien. „Ik was bioloog geworden omdat ik de natuur wil begrijpen, maar het berekenen van de effecten van chemische stoffen op het milieu is wel mijlenver weg van vogels observeren.” Ze ontdekte dat een sociaal beroep beter bij haar past. Sinds twee jaar adviseert ze mensen die ook tegen klachten van verveling aanlopen.

Verveelt ze zich nu nooit meer? „Natuurlijk weleens, maar ik weet inmiddels dat het voor mij belangrijk is om me steeds weer verder te kunnen ontwikkelen.”