‘Ik ben een soort 3D-scanner’

Niek Pulles heeft een bijzondere garderobe ontworpen voor het Tijdelijk Modemuseum in Rotterdam. Deel 3 in een serie gesprekken met spraakmakende ontwerpers.

Hoe zag uw ouderlijk huis eruit?

„Ik kom uit een knots van een familie, ik heb vijf broers. Mijn vader was directeur van een middelbare school, mijn moeder gymdocent. We woonden in Valburg, een dorpje in Gelderland. Ons huis was een soort speelparadijs: in de garage hingen hockeysticks voor alle kinderen uit de straat. Het huis was groot, maar omdat we met zoveel waren, voelde het best klein. Op vrijdag bakte ‘ons mam’ altijd frietjes. Dan stonden vriendjes in de rij.” „Ons interieur was typisch jaren zeventig, met jute behang, cactussen, macramé en een achthoekige houten tafel, een meesterwerkje van mijn opa. Aan de muur hingen de babyportretten van de kinderen. En een Ikea-poster van Ayers Rock, die rode rotsformatie in Australië.”

Wanneer besefte u dat voorwerpen worden ontworpen?

„Als zevenjarige raakte ik gefascineerd door auto’s. Ik had honderden Matchbox-autootjes en tekende voortdurend auto’s. Ik maakte eens een tien meter lange tekening met alleen maar voorkanten van auto’s, op de academie zouden ze het een vormstudie noemen. Ik was altijd bezig: kleien, timmeren, solderen, bakken – mijn moeder liet me lekker rotzooien. De havo heb ik met de hakken over de sloot gehaald. Daarna wilde ik beslist iets creatiefs doen. Animatiefilms gaan maken – ik was dol op Disney –, of auto’s ontwerpen, zoiets.”

Maar u bent geen auto-ontwerper geworden.

„Op de Design Academy Eindhoven ontdekte ik dat je als beginnend ontwerper misschien dashboardknopjes mag ontwerpen, zeker geen auto’s. Ik ben nogal explosief, daar heb ik het geduld niet voor. Ik draag ook liever schetsen en ideeën aan, dan dat ik iets tot in de puntjes uitwerk.”

Hoe noemt u zichzelf?

„Visueel artiest. Ik doe zoveel verschillende dingen: ik maak installaties, video’s, ik richt tentoonstellingen in. Het gaat altijd om visuele aandacht trekken. En dat doe ik het liefst in your face, als een bom die explodeert.

„Ik doe veel met mode, maar modeontwerper ben ik niet. Ik onderzoek wat het lichaam kan dragen. Dat begint meestal met een studie naar hoe een bepaald materiaal op het menselijk lichaam reageert. Zo ontstonden mijn Foamboys. Op een paspop plakte ik schuim, overgebleven van een project met akoestisch plaatmateriaal. Zo’n dikke schuimlaag heeft een sterk grafisch effect en zorgt voor een onorthodox en verbeterd menselijk silhouet, vergelijkbaar met de balletkostuums van Bauhaus-kunstenaar Oskar Schlemmer. Als je naar iets wilt blijven kijken, als het een gevoel van verliefd zijn oproept, dan vind ik een ontwerp geslaagd.”

Bedrijven huren u regelmatig in om het modebeeld te voorspellen. Hoe doe je dat, de toekomst voorspellen?

„Ik ben een soort 3D-scanner. Om me heen, op straat en online, zie ik flarden van toekomstige ontwikkelingen die zich in mijn hoofd tot een geheel vormen. Instagram is een dankbare bron. Daar kan je naar zoveel foto’s kijken. Met elkaar vertellen die een verhaal, waardoor je kunt voorspellen hoe het modebeeld en het interieur er over twee tot vier jaar zullen uitzien.”

Omringt u zich thuis met design?

„Mijn vrienden noemden me vroeger Niek Spullekes, zo vol stond mijn huis. Met spulletjes van de kringloop, met souvenirs en kasten vol stoffen- en materiaalsamples. Ik ben een strandjutter. Maar toen ik verhuisde heb ik een vrachtwagen vol troep naar de milieustraat gebracht. Nu is mijn huis behoorlijk leeg en verzamel ik vooral boeken en tijdschriften. Aan de muur hangen foto’s uit interieurbladen. Ze laten zien hoe mijn huis ingericht zou kunnen zijn als ik meer tijd en geld had.”

Welke ontwerper is een voorbeeld voor u?

„Alexander McQueen (de vijf jaar geleden overleden Britse modeontwerper, red). Bij hem waren goed en kwaad en schoonheid en pijn zo mooi in balans. De tentoonstelling van Jeff Koons in Versailles vond ik ook bijzonder. En ik bewonder wat Raf Simons doet, de creatief directeur van Dior. Heel knap hoe hij zijn visie loslaat op de traditierijke collectie van dat modehuis. Simons brengt verschillende werelden bij elkaar.”

Wie is uw gedroomde opdrachtgever?

„Die vraag werd me twee jaar geleden ook gesteld. Toen antwoordde ik dat ik graag eens wilde werken voor Comme des Garçons, het Japanse modemerk. Niet veel later werd ik gebeld over mijn Foamboys. Of ik installaties wilde maken voor de flagship stores van Comme des Garçons in Japan, New York, Londen en Parijs. In Tokio werd ik voorgesteld aan oprichtster Rei Kawakubo. Ze noemde mijn Foamboys „very strong”. Toen ik haar een ingepakte kleine Foamboy gaf, vroeg ze of er whisky in zat.

„Mijn gedroomde opdrachtgever nu? Mag ik wild dromen? Dan wil ik Alexander Wang opvolgen, die is net vertrokken als creatief directeur bij Balanciaga. Net als Raf Simons zou ik graag eens bij zo’n traditioneel modehuis willen werken.”

Wat doet u over vijf jaar?

„Dat wil ik niet weten. In 2010 had ik ook geen idee wat ik nu doe. Ik voel dat in de modewereld veel spannende dingen staan te gebeuren. De snelheid waarmee nieuwe collecties elkaar opvolgen, dat gaat vast veranderen. En er zijn zoveel modehuizen, dat je zelfs als liefhebber door de bomen het bos niet meer ziet.”

    • Arjen Ribbens