Opinie

    • Georgina Verbaan

Hoofd 4

Georgina Verbaan

Vervolg. „Jezus, George, we hebben nergens uitzicht op!” George keek me onbewogen aan. „Vindt u het bezwaarlijk als ik u George noem?” George schokschouderde wat. „Mij om het even”, zei hij, zijn vinger in zijn beduimelde overhemd draaiend.

„Oké, we moeten iets doen. Ligt nog ergens een nieuw peertje? Of een bouwlamp? We hebben licht nodig”, zei ik. George liet zijn armpjes langs zijn lichaam zakken en sjokte naar de hoek waar hij zich langs de muur op de grond liet zakken. „Het probleem is niet het peertje.” Hij wees met zijn neus om zich heen. „Het is de bedrading. Bedrading van lik me vestje.”

Ik keek rond. De ramen met de betonnen muren erachter hielpen natuurlijk ook niet echt. Daar moest iets aan te doen zijn. George zat, voor zich uit starend naar niets in het bijzonder, met zijn rechterhandje de verdroogde KOMODOVARAAN te verpulveren. „George, niet doen.”

Hij luisterde en legde zijn handen in zijn schoot. Ik liep naar het bureau. Het lag vol stof en puin. Ik gooide er wat grote stukken af. Eronder lagen een paar dagen van de week. Ik zag de vrijdag en een halve woensdag. Verder veel zwarte nachten, en een stukje zondagmiddag dat heel erg kleefde. „George! Dit gaat zo toch niet?” Hij keek nu naar zijn schoentjes, alsof hij er niet was.

Tussen de stukken op de grond lag iets te gloeien. Ik raapte het op. Het bleek een stuk Nieuwsgierigheid te zijn. „Aah, haal het weg!” gilde George die zijn hoofd afwendde en zijn armpjes er beschermend voor hield. Het voelde zwaar en stevig in mijn handen en ik kreeg een idee. Ik liep ermee naar een van de ramen en begon op het beton te rammen. George kwam achter me staan. „Nee! Niet doen! Alsjeblieft... Het is hier al zo druk binnen!”

„Er moet licht in George.”

Ik ramde door. Er leek een klein gat te ontstaan. George greep mijn been en beet me. „Auw!” Hij keek geschrokken op. „Sorry”, zei hij, „ik wil gewoon geen pottenkijkers.”

„En ik wil gewoon dat alles hier normaal is!” Ik keek door het gaatje. Ik zag een mond bewegen. „Volgens mij probeert er iemand tegen ons te praten George!” zei ik opgewonden.

„O, dat komt hier niet meer binnen”, Zei hij met een lichte zelfgenoegzaamheid. „Wij horen alleen nog toeterende auto’s en ontkurkende flessen. Ja, en die gasten natuurlijk.” Hij wees op een verzameling gezichtsloze grijze figuren, die als tinnen soldaten aan de andere kant van het afgezette puin van de bovenkamer over elkaar heen lagen en naast elkaar stonden. „Wie zijn dat?” vroeg ik. POEF! En weg was George.

    • Georgina Verbaan