Dodenrijk

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een publicatie uit Malva, de debuutroman van dichter Hagar Peeters.

Mijn naam is Malva Marina Trinidad del Carmen Reyes, voor mijn vrienden hier Malfje; Malva voor alle anderen. Ik kan ter zelfrechtvaardiging melden dat ik die naam natuurlijk niet zelf heb bedacht. Dat is gedaan door mijn vader. Je kent hem wel, de grote dichter. Zoals hij zijn gedichten en zijn dichtbundels titels gaf, zo gaf hij mij een naam. Maar nooit noemde hij die in het openbaar. Mijn eeuwige leven begon na mijn dood in 1943 in Gouda. Mijn begrafenis telde een handjevol mensen. Heel anders dan de begrafenis van mijn vader, dertig jaar later in Santiago de Chile.

Op een manier waaraan Sokrates nog een puntje had kunnen zuigen, ontsliep mijn vader in het Santa Mariaziekenhuis in Santiago nadat bij hem de hysterie was gesmoord die hem had bevangen na het aanhoren van zo veel mensonterend onrecht dat hij, die altijd vriendelijk en kalm was geweest, en zelfs onder de meest bloedstollende omstandigheden het hoofd koel had gehouden, ontstak in tirades en wanhopig geschreeuw, kortom: tekeerging als een bezetene, maar daar was al de dokter in witte jas geweest die hem met een kalmeringsinjectie tot rust had gebracht, en de zoete slaap waarin hij vervolgens was gegleden, maakte een ellenlange uitglijder en werd een glijbaan waaraan maar geen einde kwam, zo voelde mijn vader onder in zijn buik hoe hij de heerlijke afdaling inzette terwijl hij in werkelijkheid aan het opstijgen was tot de regionen van het hiernamaals, waarin ik hem nog lang niet zal aantreffen maar waar hij zich wel degelijk moet bevinden want het hiernamaals is groot en bovendien was hij zo dood als een pier, wat de artsen de volgende dag eensluidend vaststelden aan de hand van zijn gestaakte polsslag en gegeven het onmiskenbare feit dat ook zijn ogen gesloten bleven en er niets maar dan ook niets meer aan hem bewoog; nog geen zuchtje wind ging er door die ledematen, die stokstijf bleven alsof zonsverduistering en hartje winter in één klap en op hetzelfde moment waren ingevallen.

Ik rekte deze zin opzettelijk om gedurende het verstrijken ervan mijn vader de tijd te geven op zijn gemak het leven te verlaten en de dood binnen te treden.

Het verlies was aan zijn weduwe Matilde Urrutia. Zij boog voor de dode, kuste zijn handen, tastte op de grond naast het bed naar de uit zijn hand gegleden vulpen, vond die uiteindelijk toen ze al op haar knieën zat en haar armen uitstrekte tot onder het bed, waarna zij de verpleegster mopperend om een bezem verzocht om het ding naar zich toe te bewegen, ze stak hem achter haar rechteroor onder een nonchalant vallende haarlok, olijke, onverbeterlijke Patoja, en nam zich voor er later zijn eigen herinneringen mee af te schrijven, en daarna ook die van haarzelf aan hun leven samen.

Halverwege zijn langdurige reis naar het dodenrijk besloot ik mijn stroefstramme vader te begeleiden. Ik pakte de hand waarmee hij al zowat zijn hele leven had geschreven, en zo zweefden wij een eindje samen op boven de daken van een smeulend Santiago. Het presidentiële paleis, het park, het stadion, de krottenwijken met de arbeiders en de rivier de Mapocho waren alle ver beneden ons. Mijn vader zag niet alleen hoe zijn vrienden werden doodgemarteld maar ook hoe in de diepte beneden hem de begrafenisstoet voortging die hem naar zijn stenen rustplaats begeleidde en die nu als een levende menselijke aftakking van de Mapocho door de straten vloeide terwijl in de rivier zelf talloze lijken dreven.

Van heel ver hoorden we vanuit die richting strijdkreten, de Internationale, de yell van de communistische jeugd en half verwaaid maar nog net te onderscheiden: ‘¡Camarada Pablo Neruda! ¡Presente! ¡Ahora y siempre!’ En overal zagen we schimmen uit de gebouwen en het stadion en vanaf de velden en de haven opstijgen, die zoals wij het lege luchtruim kozen.

Ik geloof trouwens niet dat mijn vader mij aan zijn zijde heeft opgemerkt, hoewel ik al die tijd zijn hand vasthield. Hij bleef strak omlaag kijken als probeerde hij zich de menselijke tragedie in te prenten die daar in al haar bedrijven werd opgevoerd. Nu en altijd. De wind, gesteldheid van zijn koortsdroom, leek hem meer in zijn greep te hebben dan mij; hij bewoog zich sneller omhoog. Toen heb ik hem maar losgelaten, hem nog een tijdje nastarend tot hij uit mijn blikveld was verdwenen.

Nergens zag ik Federico, noch Salvador, Miguel of Víctor. Niemand van de uitbundige, almaar aanzwellende, nooit uitdunnende, allengs hele werelddelen omvattende, ja, ten slotte zelfs de hele aarde omspannende coterie die hem altijd en overal had omgeven, zelfs niet één van zijn meest toegedane lezers was postuum komen opdagen om mijn vaders overgang tot het hiernamaals bij te wonen. Ik vroeg mij aldoor af waarom juist ik van alle doden die hem hadden gekend, hem uitgeleide mocht doen.

Nu begrijp ik dat dit was opdat ik jou daarover kon vertellen.

Ik was me nog aan het verbazen over die onstuitbare hoeveelheid mensen die zich op 25 september 1973 in Santiago de Chile vanuit alle hoeken en gaten bij de begrafenisstoet van mijn vader voegde, toen ik plotseling jouw eigen vader in de diepte beneden mij zag. Je gelooft me misschien niet, maar echt, Hagar: daar was hij, de lange Nederlander, midden in die aanzwellende meute van levenden, die in het begin een paar honderd mensen telde maar uiteindelijk duizenden zielen beliep. Waarom dacht je anders dat ik jou uitkoos om mijn verhaal aan te vertellen? Hij was op zijn qui-vive. Het schrijfblok had hij geopend, zijn pen liet hij alles noteren maar hij bleef ondertussen op zijn hoede dat hij er niet door een van de overal met argusogen toekijkende carabineros zou worden uitgepikt.

Wat hij toen opschreef, is bewaard gebleven, in de aandoenlijke zelfverzonnen codetaal die hij gebruikte om zich er nog uit te kunnen redden voor het geval dat hij toch zou worden gearresteerd, zoals hem in Bolivia al eens was overkomen. Onder dictator Ovando had hij enkele jaren daarvoor vanwege zijn vermeende contact met guerrillero’s drie weken lang in de gevangenissen van La Paz en Oruro gezucht. Vanuit mijn hemelse hoogten boog ik mij over de hiëroglyfen die je vader nu daar in Chili aan het papier toevertrouwde, en die ik onmiddellijk kon lezen als klare taal.

Nadat ik zijn woorden tot me door had laten dringen, liet ik ook jouw vader gaan en ik zweefde in mijn eentje verder, de begrafenisstoet onder mij volgend als een condor een colonne konijnen. Ik zag opnieuw Matilde, la Patoja, op haar korte beentjes lopen: moedig, vastberaden en op het punt te worden ondergedompeld in een diepe rouw die druppel voor druppel haar ziel begon binnen te sijpelen, zoals de eeuwige zuidelijke regen door het lek in het zinken dak haar armoedige ouderlijk huis in Chillán binnenkwam.

    • Hagar Peeters