De vondsten van een wiskundige die zegt geen dag gewerkt te hebben

Archimedes, Mick Jagger, Salvador Dalí en Richard Feynman. In haar biografie Genius At Play typeert de Canadese wetenschapsjournalist Siobhan Roberts John Conway als een mix van deze vier: een unieke wiskundige, met het charisma van een rockster, een geslepen gevoel voor humor en een voortdurende drang om alles aan iedereen uit te leggen. Conway heeft publiek nodig – dan is hij op zijn best en vertelt hij het ene verhaal na het andere. Rekwisieten als speelkaarten, dobbelstenen en touwen heeft hij altijd op zak.

Roberts was acht jaar lang zijn publiek. Van alle kladblokken die ze volschreef maakte ze een drie-acter waarin Conway moeiteloos tot leven komt, niet in de laatste plaats doordat hij veel zelf aan het woord komt. Dat maakt de biografie een halve autobiografie. Voor alle ontmoetingen met Roberts nam Conway royaal de tijd. Misschien hielp het dat Roberts van het vrouwelijk geslacht is, want Conway houdt van vrouwen. Op de ‘schaal van Jeroen Pauw’ scoort hij overweldigend: ‘meer vrouwen dan hij kan tellen’, blijkt uit de proloog.

John Conway, 77 jaar, is emeritus John von Neumann-professor aan de universiteit van Princeton, maar dankt zijn faam aan zijn ontdekkingen uit zijn tijd in Cambridge, waar hij tot 1987 werkte. Bij het grote publiek werd hij vooral bekend als de bedenker van Game of Life, een – in Conways eigen woorden – no-player never-ending game. Dit spel heeft een cultstatus gekregen, maar inmiddels is Conway het beu dat hij hiertoe wordt gereduceerd: „I hate the damned Lifegame.”

Wiskundigen roemen vooral Conways werk in de groepentheorie, de taal waarin de symmetrie van (hogerdimensionale) objecten wordt beschreven.

Conway ontdekte drie zogeheten ‘sporadische groepen’ en was de voorman van de Atlas of Finite Groups, een boek waarin alle eindige enkelvoudige groepen geclassificeerd zijn – een van de grootste wiskundige prestaties in de twintigste eeuw. Zelf beschouwt Conway de ontdekking van surreële getallen – een letterlijke analogie met de surrealist Dalí – als zijn meesterwerk. Tot deze getallen behoren oneindig grote getallen, maar ook getallen die dichter bij nul liggen dan elk reëel getal.

Tijdens het lezen van Genius At Play dringt zich een vergelijking op met Finding Moonshine (in het Nederlands verschenen onder de titel Het symmetriemonster) van Oxford-wiskundige Marcus du Sautoy. Beide boeken zijn met een aanstekelijk enthousiasme geschreven en ook ‘Finding Moonshine’, waarin een hoofdrol voor Conway is weggelegd, is niet gespeend van biografisch materiaal.

Een verschil had moeten zijn dat Roberts meer van Conways diepste zieleroerselen prijsgeeft. Hoewel ze niet voorbijgaat aan de tragiek van Conways leven – drie scheidingen, meerdere hartaanvallen en beroertes, een zelfmoordpoging – mag je verwachten dat een biografie dieper doordringt tot de wonderlijke psyche van deze man. Achterin het boek bedankt Roberts meer dan honderd personen met wie ze sprak, waaronder collega’s, familieleden en ex-echtgenotes van Conway, en het was mooi geweest als Roberts er op het persoonlijke vlak meer had weten uit te halen.

Voor het leesplezier maakt het allemaal niet uit. Roberts mag dan vooral focussen op het werk (al beweert Conway geen dag van zijn leven te hebben gewerkt), ze doet dat voorwaar uitmuntend.

Of het nu gaat om een van de talloze spellen die Conway bedacht, zijn ontmoetingen met scholieren op wiskundekampen, de ingewikkelde groepentheorie of zijn Free Will Theorem, Roberts (en Conway) weet er altijd een eersteklas verhaal over te vertellen.