De stilte komt van binnenuit

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Schrijver Daan Heerma van Voss is genoemd naar de vorig jaar overleden Daan de Jong, neef van Loe de Jong, de geschiedschrijver van de Tweede Wereldoorlog. Preciezer: Daan de Jong was de zoon van Loe’s broer Sal die, evenals zijn vrouw Liesje, de oorlog niet overleefde. Liesje stierf in 1944 in Auschwitz, Sal op 31 mei 1945 in Buchenwald, na een eerder ‘verblijf’ in Auschwitz. Hun zoontjes Abel en Daan zaten op twee verschillende adressen ondergedoken. Na de oorlog hadden de oorlogswezen niet veel aan hun oom Loe.

Daan Heerma van Voss had een bijzondere band met zijn naamgever, met wie hij Auschwitz zou bezoeken. Toen Daan de Jong stierf was het daar nog steeds niet van gekomen. Uiteindelijk ging Heerma van Voss er toch heen, samen met Frieda Mulisch. Het lucide boekje dat hij erover schreef begint zo: ‘Het is een reis die ik met een ander had moeten maken. Maar die reis bestaat niet meer, zelfs niet als idee. Een tribuutreis is beter dan niets.’ Maar Een verlate reis (1) is veel meer geworden dan een tribuut aan Daan de Jong. Het is een intelligent autobiografisch essay van een begenadigde jonge schrijver die evenmin als Harry Mulisch woorden kan vinden om zijn gevoelens op de eenzaamste plek ter wereld uit te drukken. ‘De behoefte origineel te zijn in Auschwitz is een vorm van grootheidswaan. De stilte die op 4 mei wordt opgelegd, komt hier van binnenuit.’

Stilte van binnenuit is ook wat de vele beroemde zelfportretten van ondermeer Jan van Eyck, Albrecht Dürer, Rembrandt, Van Gogh, Picasso en Magritte uitstralen in de erudiete studie van de Britse kunsthistoricus James Hall. Het zelfportret (2) laat zien hoe ‘selfies’ zijn ontstaan en welke functies ze door de eeuwen heen vervulden. Mijn blik bleef lang hangen bij de afbeelding van ‘Zelfportret met hand op haar hoofd’ van Käthe Kollwitz (1867-1945). ‘Haar dubbelheid is verontrustend: ze is zowel standvastige getuige als van angst verstijfd slachtoffer, levend en dood, individueel en anoniem, aanwezig en afwezig, ziende en blind.’

Volgens popjournalist Paul Trynka was gitarist Brian Jones (1942-1969) de enige echte oprichter van The Rolling Stones, de bedenker van hun naam, muzikale sound en antiburgerlijke uitstraling, de man die Keith Richards zijn riffs leerde, een muzikale visionair. Sympathy for the Devil (3) (onder die titel verscheen de biografie ook in Groot-Brittannië; de ondertitel van de Amerikaanse versie luidt The Making of the Rolling Stones) slaat niet op de gelijknamige song van Jagger/Richards, maar op de faustiaanse legende over blueszanger Robert Johnson die gitaarles nam bij de duivel. Trynka speelt met verve de advocaat van de duivel in deze boeiende, maar rommelig geschreven bijdrage aan de never ending story van de Stones. Brian Jones, in zijn jeugd al psychisch beschadigd door conformistische ouders, was zowel de narcistische, onbetrouwbare, valse, sadistische, manische, verslaafde popartiest als het kwetsbare genie dat een nieuwe weg baande voor de rock-’n-roll. Zijn ondergang in een maalstroom van seks en drugs was mede te wijten aan het verraad en de machtshonger van de ‘wrede smeerlappen’ Jagger en Richards. De vele complottheorieën rond zijn verdrinkingsdood – kort nadat hij als zielig wrak uit de band was gezet – worden door Trynka vakkundig weerlegd.

Over leven, denken en werk van een humaan radicaal realist is een nogal pompeuze ondertitel voor het bescheiden boekje HJ Schoo (4). Het bevat een portret door Elsevier-verslaggever Liesbeth Wytzes en een eerbetoon door de met Schoo bevriende Marc Chavannes, aangevuld met een uitputtende bibliografie. Hendrik Jan Schoo (1945-2007), opgeleid tot onderwijzer en enige jaren werkzaam in de VS, werd in 1993 hoofdredacteur van weekblad Elsevier en schreef van 2003 tot zijn ontijdige dood columns in de Volkskrant. Beducht als hij was ‘in het kamp van dom en chic links te belanden’ bepleitte Schoo een verlicht nationalisme. Chavannes prijst hem als de eerste politieke denker die oog had voor de betekenis van het nieuwe populisme van Fortuyn en zijn navolgers in Nederland: ‘Volgens Schoo is populisme een eerste fase van nieuwe sociale mobilisering en organisatie, een onderdeel van een vitale openbaarheid en een vorm van correctie en leergedrag onder gevestigde politieke partijen en de overheidsinstellingen waarin die zich hebben genesteld.’

    • Elsbeth Etty