De burgemeester wil altijd winnen

Eberhard van der Laan maakt binnenkort bekend of hij nog zes jaar wil blijven. De resultaatgerichte en nuchtere PvdA-politicus is populair, al wordt er nu aan zijn positie geknabbeld.

Eberhard van der Laan: royaal toegeven waar hij ruimte wil geven. Snoeihard terugslaan waar hij de grenspalen wil zetten Foto: Peter Boer

Eberhard van der Laan: „Als je je te lang zo druk met politiek bezighoudt, verschraal je. Je verschraalt als een gek. Niet meer naar een museum. Veel te kort slapen. Van de twee weekenddagen minimaal één, maar vaak anderhalf druk bezig: van tien uur ’s morgens tot twee uur ’s nachts. Ik wil niet klagen, maar dat is slechts zekere tijd vol te houden. Na zeven, in april acht jaar, ben je gesloopt.”

Nee, hier is niet de burgemeester van Amsterdam aan het woord. De burgemeester begint niet om tien uur ’s ochtends, maar om acht uur. Dit was de fractievoorzitter van de lokale PvdA, in 1997 tegenover De Groene Amsterdammer.

Binnen enkele weken moet Van der Laan (Leiden, 1955) aan de commissaris van de Koning van Noord-Holland laten weten of hij een tweede termijn als burgemeester ambieert. In juli zit hij er zes jaar.

Het kost hem enige moeite zijn besluit voor zich te houden, zeggen naaste medewerkers. Vorig weekend vroeg de hoofdredacteur van Vrij Nederland aan Van der Laan, die een jubileum van het weekblad met zijn aanwezigheid opluisterde, of hij nog zes jaar burgemeester zou blijven. Van der Laan ontweek hem, met een knipoog naar het VN-interview waarin Felix Rottenberg partijleider Samsom afserveerde: „Jullie hebben vorige week al een PvdA’er in de etalage gehad.”

Vriend en vijand zijn het erover eens: als Van der Laan zegt dat hij door wil, dan zal hem geen strobreed in de weg worden gelegd. Hij is als burgemeester onomstreden, heeft groot gezag en wordt door de meeste Amsterdammers op handen gedragen. Een enquête deze zomer wees uit dat driekwart van de Amsterdammers wil dat hij zijn termijn verlengt. Zijn gemiddelde rapportcijfer was een 7,7.

Hij kan kordaat en streng zijn, warm en geestig, empathisch en onverschrokken. Bij een demonstratie vorig jaar, waar uitgeprocedeerde asielzoekers en actievoerders hem met toeters, megafoons en gejoel de mond probeerden te snoeren en waar radicale moslims met zwarte IS-vlaggen rondliepen, stond hij na afloop naast het podium aan een sigaretje te trekken. Geen politiekordon om hem heen, alleen zijn vaste chauffeur en zijn woordvoerder.

De houding van Van der Laan is authentiek, verzekeren vrienden als schrijver Geert Mak. „Hij is van een aardse nuchterheid.” Dat betekent niet dat hij geen berekening maakt over de effecten van zijn doen en laten. Die maakt hij altijd. Er schuilt een methode in alles wat Van der Laan doet – ook in zijn authenticiteit.

Mag ik ‘je’ zeggen?

De eerste keer dat ik Eberhard van der Laan sprak, was op vrijdagavond 14 januari 1994. Ed van Thijn was net afgetreden als burgemeester van Amsterdam om minister van Binnenlandse Zaken te worden. Van der Laan leidde de raadsfractie van de PvdA. De krant wilde weten of een PvdA’er Van Thijn moest opvolgen, of dat de tijd rijp was voor een burgemeester van een andere signatuur.

Aan de telefoon kwam een beleefd formulerende man met een zachte, wat hoge stem. Zijn eerste vraag: „Heb je – mag ik ‘je’ zeggen? – D66 al gesproken?” Nee, ik had om te beginnen de grootste raadsfractie gebeld. „Bel dan eerst met D66, daarna geef ik mijn antwoord.”

D66 in Amsterdam werd toen nog geleid door Ernst Bakker, een ervaren politicus en campaigner. Toch stapte hij met open ogen in de strik die Van der Laan had opgezet. Ja, goed dat de krant het vroeg, vond Bakker, en hij rekende zich alvast rijk met de opiniepeilingen waarin een stevig verlies voor de PvdA werd aangekondigd. Het begon wel eens tijd te worden voor een burgemeester van een andere partij dan die eeuwige PvdA om de hoofdstad te besturen. En waarom dan niet de grote winnaar in de peilingen, D66?

Van der Laan teruggebeld. Hij vroeg wat Bakker had gezegd en hoefde daarna nauwelijks adem te halen om zijn reactie te formuleren. „Het is niet gezegd dat de PvdA de verkiezingen verliest. De enige opiniepeiling die telt, is de gemeenteraadsverkiezing van 2 maart.”

Op 2 maart 1994 werd de PvdA veruit de grootste in Amsterdam. De partij kreeg bijna 10.000 stemmen meer dan vier jaar daarvoor; ruim 26 procent. D66 bleef steken op krap 16 procent. Op de uitslagenavond hield Van der Laan De Telegraaf van die ochtend omhoog, waarin een zege voor D66 werd voorspeld.

Een maand later werd Schelto Patijn, een PvdA’er aan wie je het nauwelijks kon zien, voorgedragen als burgemeester van Amsterdam.

Die verkiezingsoverwinning, tegen de landelijke trend voor de PvdA in, had de partij aan lijsttrekker Van der Laan te danken. Hij had de PvdA weer overeind gekregen na een striemende afstraffing bij de raadsverkiezingen van 1990, toen die werd gehalveerd na het tijdperk-Walter Etty, de oppermachtige wethouder. Kern van alle verwijten aan de PvdA van Etty was: arrogantie. Dat knoopte Van der Laan in zijn oren. De PvdA zou leren luisteren. Hij draafde op bij alle inspraakavonden, debatten en buurtbijeenkomsten om te laten zien dat de PvdA niet arrogant was, maar nederig. Hij vergat nooit te zeggen dat hij in de Baarsjes woonde – dat was destijds niet de opkomende en alweer bijna onbetaalbare woonwijk van nu, maar een volksbuurt die in al zijn verloedering bijdroeg aan het bescheiden imago dat Van der Laan zorgvuldig oppoetste. Dat hij partner was van advocatenkantoor Kennedy & Van der Laan hoefde hij minder vaak te vermelden, dat merkte iedereen die iets te nonchalant formuleerde. Die werd met een loepzuivere redenering weggetikt.

De invloed van zijn ouders is groot, zegt Geert Mak. Het calvinistische arbeidsethos, het verantwoordelijkheidsgevoel, het belang van persoonlijke moed. Zijn vader was huisarts in Rijnsburg en raadslid voor de gereformeerde ARP. Zijn moeder verloor het geloof toen ze na de Tweede Wereldoorlog besefte wat er in de vernietigingskampen was gebeurd.

Ze hadden verzetswerk gedaan en dat had hen getekend, vertelde de burgemeester in de 4-mei lezing die hij vorig jaar gaf. In een interview met Het Parool zei hij in 2011 over de overeenkomsten met zijn vader („hardwerkend, betrokken, humoristisch, overtuigd van het eigen gelijk, vol bravoure”): „Ja, de gelijkenis ligt er dik bovenop. Toch zijn er ook mensen die mijn ouders heel goed hebben gekend, die parallellen met mijn moeder zien. (-) Zij was veel democratischer dan mijn vader: abortus, euthanasie, homoseksualiteit. Mijn vader was niet conservatief, maar duidelijk geen koning op het gebied van vooruitgang, innovatie. Mijn moeder stond juist enorm open voor vernieuwing.”

Resultaatverslaafd

In politieke zin is Van der Laan „een kind van Jan Schaefer” genoemd, naar de Amsterdamse PvdA’er die wordt herinnerd om de volzin: „In gelul kan je niet wonen.” Er moest worden gebouwd en wethouder Schaefer, de voormalige banketbakker, bouwde. Hij saneerde de Amsterdamse volksbuurten en had weinig geduld met ambtenaren of politici die daarbij vooral op de problemen wezen.

Zo is de bestuurder Van der Laan, ooit Schaefers assistent, ook; eerder doener dan dromer, doelgericht, om niet te zeggen: resultaatverslaafd. Hij is de grootmeester van de creatieve oplossing. De top-600 komt uit zijn koker, de intensieve aanpak van hardnekkige crimineeltjes door justitie en hulpverlening. Hij bedacht dat je horeca-ondernemers niet alleen moet straffen voor overtredingen, maar ook belonen met meer speelruimte als ze zich goed aan de regels houden. Hij schipperde net zo lang tussen de strenge opvattingen van het ministerie van Justitie en Veiligheid en de demonstraties van uitgeprocedeerde asielzoekers tot hij hun een reële opvang kon bieden.

Zijn pragmatisme stoelt net als bij Schaefer stevig op zijn overtuiging. Hij huldigt de waarden van de sociaal-democratie: solidariteit, emancipatie, vrijheid. Van der Laan laat nooit na om vanuit zijn werkkamer aan de Amstel te wijzen naar het standbeeld van Spinoza dat beneden op de kade staat. Met op de sokkel de tekst: ‘Het doel van de staat is de vrijheid’.

Toen de Amsterdamse burgemeester Job Cohen in 2010 landelijk lijsttrekker van de PvdA werd , maakte Van der Laan de tegenovergestelde beweging. Hij was anderhalf jaar minister van Integratie geweest in Balkenende-IV, waar hij wees op de spanning tussen immigratie en solidariteit („Deze voortdurende immigratie gaat onze spankracht te boven”). Nu werd hij burgemeester van Amsterdam.

Hij was het nog geen half jaar of de politie legde een enorme zedenzaak bloot. Robert M., een medewerker van een kinderdagverblijf, had tientallen kinderen misbruikt. Zaken met zo’n grote maatschappelijke impact kunnen bestuurders maken of breken. Burgemeester Zomerdijk van Ochten werd gemaakt toen hij in 1995 binnen drie uur zijn dorp moest ontruimen wegens een dreigende dijkdoorbraak. Burgemeester Rehwinkel van Groningen werd in 2012 gebroken toen buurgemeente Haren werd overlopen door feestgangers en hij zich nog een keer omdraaide in bed.

De kloeke en invoelende openhartigheid waarmee Van der Laan in de zaak-Robert M. naar buiten trad, heeft hem aanzien en krediet in de stad gegeven. Als het om de openbare orde gaat, laat Van der Laan weinig aan het toeval over. Een terloopse opmerking van toenmalig wethouder (tegenwoordig staatssecretaris) Eric Wiebes bij een VVD-verkiezingsavond zegt genoeg: „Van der Laan is op het gebied van veiligheid een VVD-burgemeester.”

Het Maagdenhuis

Een vergadering van de raadscommissie algemene zaken op 19 maart 2015. Een week eerder hebben studenten en andere actievoerders gedemonstreerd rond het Maagdenhuis en daar heeft de politie stevig ingegrepen nadat er vernielingen waren aangericht en de demonstranten niet wilden vertrekken. Hierover komen enkele demonstranten zich beklagen in de commissievergadering. Een student zegt dat een groot deel van de groep is getraumatiseerd door het optreden van de politie en dat „wij als studenten nooit geweld hebben gepleegd tegen mensen. Wel tegen voorwerpen, maar die hebben geen pijn.”

Een volgende spreker begint met: „Amsterdam is de stad waar altijd net iets meer mag.” Hij geeft toe: de studenten hebben de grens van wat mag opgezocht. Ze hebben de trambaan eventjes geblokkeerd, een standbeeld in brand gestoken. Maar zegt hij: de politie heeft ook de grenzen opgezocht. „En ik denk dat als de politie de grenzen overschrijdt, de gevolgen wat ernstiger zijn dan als studenten dat doen.”

Van der Laan kijkt op zijn smartphone, praat met een ambtenaar, bladert door stukken – een gewoon mens zou zomaar kunnen denken dat de burgemeester niet oplet. Maar als hij het woord krijgt, blijkt dat hij elke zin heeft gehoord. „Ik wil zeggen dat ik beslist onder de indruk ben van de laatste inspreker. Hij is zo fier om te zeggen dat studenten de grenzen hebben opgezocht. En hij zegt: wij moeten hogere eisen stellen aan de politie dan aan actievoerders. Daar ben ik het honderd procent mee eens.”

Gaat de burgemeester de studenten gelijk geven en vindt hij dat de politie bovenmatig veel geweld heeft gebruikt? Nee: „Ik was totaal niet onder de indruk van de eerste spreker, die de potentiële bijdrage van de actievoerders aan de geweldsspiraal wegredeneert.” De student – die intussen met bloedrode wangen doodstil op de publieke tribune zit – verkondigde volgens Van der Laan „met veel poeha, zoals ik dat deed toen ik veertien was: wij deden niets en zij deden alles.”

Van der Laan geeft dan de VVD’er op d’r kop die had gezegd: „Ik zou van de politie wel willen weten…” Van der Laan: „Dit is staatsrecht: u praat niet met de politie, u praat met mij.” Geeft de SP’er en de GroenLinkser op hun kop die er al half vanuit gaan dat de agenten wel weer te hard zullen hebben geslagen en dat het politierapport dat wel weer zal vergoelijken. „Het is niet míjn politie, het is úw politie. En de politie in Amsterdam verdient alleen al op basis van haar trackrecord van humaan en krachtig optreden, dat u de feiten afwacht voor u oordeelt.”

Het is een manier van debatteren die Van der Laan tot in de puntjes beheerst. Royaal toegeven waar hij ruimte wil geven. Snoeihard terugslaan waar hij de grenspalen wil zetten. Dan kan hij in een debat net zo gemakkelijk een politieke opponent een opdoffer geven als een tienerstudent. Functioneel boos – hoewel niet altijd compleet beheerst. De burgemeester kan volgens intimi flink driftig worden, ook of juist als hij ongelijk heeft.

Er wordt vaak gezegd dat hij hard is voor zijn ambtenaren. Dat hij fouten krachtig afstraft. Dat er wel eens wordt gehuild op de eerste verdieping van het stadhuis – „dat is steeds één en hetzelfde verhaal dat opgerakeld wordt”, zegt zijn woordvoerder. Wat zeker is, de kern van zijn ambtelijk team staat al jaren rond Van der Laan: zijn woordvoerder Tessel Schouten, het kabinet met onder meer Karin van der Wansem en Dagmar Letanche, maar ook zijn chauffeur Eduard Rietveld, de grote vriendelijke reus die altijd in de buurt lijkt te zijn, of het nu midden in de nacht is in het bezette Maagdenhuis of ’s middags als hij de burgemeester tijdens een interview op kousenvoeten een bagel van Bagels & Beans komt brengen („Het is niet het broodje dat u wilde.” „Want?” „Want dat hebben ze niet meer.”).

Tijdens een debat in 2013 kreeg een kinderrechter de wind van voren toen zij haar verbazing uitsprak over de jongeren die werden geselecteerd voor de top-600. „Ik zie dan bijvoorbeeld een jongen die in 2010 een keer is veroordeeld voor bedreiging en in 2012 vrijgesproken van straatroof”, zei de rechter. „Dat vind ik wel heel licht om op die zware lijst te komen.”

Van der Laan stoof op. Eerst altijd een verontschuldigende zin: „Sorry hoor, dat ik dat tegen u als rechter durf te zeggen.” En dan los met een backhandreturn: „Geachte mevrouw de voorzitter van de rechtbank, in welke wet staat geschreven dat het drie jaar mag duren voordat iemand voorkomt? Dat het drie jaar duurt voordat er een hoger beroep is?” Met andere woorden: de oplossing van de top-600 is misschien niet perfect, maar altijd beter dan hoe het daarvoor was. En de politie werkt keihard om de stad veiliger te maken.

Toen ze het woord weer kreeg, zei de rechter: „Het is een prima project, hoor, die top-600.” Van der Laan: „Mevrouw zegt, het is een prima project. Mag ik dat even markeren?”

In zulke confrontaties manifesteert zich niet alleen de verantwoordelijkheid voor zijn beleid en de ambtenaren, maar ook een wil om te winnen die aan het kinderachtige grenst.

De laatste sociaal-democraat

Van der Laan moest in maart 2014 met lede ogen toezien hoe D66 onder leiding van Jan Paternotte de PvdA verpletterde. Het aantal PvdA-stemmers halveerde zowat, terwijl dat van D66 bijna verdubbelde. Voor het eerst na de oorlog is de PvdA in Amsterdam niet de grootste partij. De burgemeester is de laatste sociaal-democraat in een college van D66, VVD en SP.

Paternotte, de fractievoorzitter van D66 die nog dertig moest worden in de verkiezingscampagne, doet als politiek professional denken aan Van der Laan. Altijd goed voorbereid de vergadering in. Altijd bewust van mogelijke scenario’s en van de consequenties van zijn verschillende opties. Onvermoeibaar geïnteresseerd in politiek en dus nooit helemaal ontspannen.

Logisch dat Paternotte de nonchalante levensgenieter Pieter Hilhorst, een zijlijnpoliticus die door de PvdA anderhalf jaar voor de verkiezingen het veld in werd geroepen als aanvalsleider, in de verkiezingsdebatten eenvoudig tackelde.

Met het citaat uit De Groene in gedachten: wat zal Van der Laan over zijn tweede termijn besluiten? Als hij zich als raadslid in 1997 al gesloopt voelde, hoe moet het dan nu wel niet zijn? De verantwoordelijkheid is zwaarder, de dagen zijn langer, in het nieuwe stadsbestuur is hij eenzamer dan ooit. D66, de grootste collegepartij, gedraagt zich op belangrijke dossiers (het Wallenbeleid, de wietregulering) soms als een oppositiepartij, bijtend naar de kuiten van de burgemeester („wanneer kunnen we die brief verwachten?”). Een D66’er rond de fractie, gevraagd of de partij Van der Laan als een tegenstander beschouwt, begon te glimlachen. „Hij staat in elk geval sommige veranderingen in de weg.”

Voorlopig lijkt de energie van Van der Laan onuitputtelijk. De meeste wethouders draven een of twee keer per week op voor een opening of een werkbezoek in de stad. De burgemeester staat vijf, zes keer per week op het programma. En dan te bedenken dat hij aanvankelijk geen burgemeester wilde worden omdat het baantje hem te gemakkelijk leek. Van der Laan, in 2013 en 2014 intensief medisch behandeld aan prostaatkanker en vorig jaar ‘schoon’ verklaard, smijt nog altijd met energie.

In Andere Tijden in 2012 vertelde Van der Laan over zijn mentor Jan Schaefer, die vlak voor zijn dood nog een banenplan voor Amsterdam ontwierp, en rond zijn ziekenhuisbed vergaderingen belegde. Dat vond Van der Laan indrukwekkend.

En dan is er nog het perspectief van na zijn vertrek. Het idee dat D66, nu eens echt de grootste partij in de stad, de burgemeester van Amsterdam mag leveren. Dat bijvoorbeeld Roger van Boxtel – ook een Ajaxfan, maar daar houdt verder elke gelijkenis op – aan het hoofd van de hoofdstad komt te staan. Er zijn mensen in de omgeving van burgemeester Van der Laan die daar een factor van betekenis in zien.

Correcties en aanvullingen

Burgemeester Rehwinkel

In De burgemeester wil altijd winnen (19/9, p. 18) staat: „Burgemeester Rehwinkel van Groningen werd in 2012 gebroken toen buurgemeente Haren werd overlopen door feestgangers en hij zich nog een keer omdraaide in bed.”

Toenmalig burgemeester Rehwinkel is op de bewuste avond enkele uren in het gemeentehuis van Haren geweest en heeft zich daarna ook telefonisch op de hoogte laten houden van de situatie.

    • Bas Blokker