Symbool van wederopstanding

Het Stadsarchief Amsterdam beheert ruim 30.000 tekeningen en prenten van Amsterdam. Van eeuwenoud tot heel recent. In NRC telkens een werk uit deze schatkamer.

Huis De Pinto, 1975, Clemens Merkelbach van Enkhuizen. Aquarel, 34,5 x 47 cm.

Merkwaardig licht valt op het 17de-eeuwse Huis De Pinto aan de Sint Antoniesbree-straat, alsof de lucht openbreekt na een noodweer boven de stad. In de onwerkelijke zandvlakte, begrensd door rood-witte hekken, lopen de rijsporen van werkverkeer. Links ligt een bijeen geschoven hoop grond. Er valt geen levend wezen te bekennen.

Het huis staat onverzettelijk geposteerd voor de achtergevels van de oude huizen aan de Snoekjesgracht en de Zwanenburgwal, waarvan de terugwijkende vormen veel beweeglijker zijn. Het is het laatste overgebleven huis in dit deel van de straat.

De overzijde is gesloopt, net als de negen huizen in de Zandstraat tot aan het punt waar de kunstenaar stond, bij de zijgevel van Zandstraat 28. Draaide hij zich naar links, dan zag hij de Zuiderkerk en een vijftig meter brede zandvlakte, die zich door de Nieuwmarktbuurt baande naar de Waalseilandsgracht bij het Scheepvaarthuis.

Hier lag het langgerekte bouwterrein voor de Oostlijn van de metro. Anders dan de huidige Noord/Zuidlijn, die is geboord, werd de Oostlijn opgebouwd uit losse tunneldelen. Deze werden boven de grond geconstrueerd en ter plekke in de ondergrond afgezonken. Grootschalige afbraak ging daaraan vooraf.

De metro volgde het tracé van een ontworpen brede verkeersweg waartoe de gemeenteraad al in 1953 had besloten. Maar de ‘sanering’ van de Nieuwmarktbuurt verliep traag, en aan het eind van de jaren zestig ontstond in de maatschappij een tegenbeweging die zich afzette tegen het grootschalig denken en de aantasting van de oude binnenstad.

Vanaf 1968 werden leegstaande huizen bezet en opgeknapt. Een gemeenschap van idealistische krakers verzette zich steeds heftiger, en uiteindelijk vergeefs, tegen de aanleg van een metro dwars door de buurt. In het voorjaar van 1975 ontruimde een grote politiemacht de laatste te slopen huizen.

In hetzelfde jaar werd door prinses Beatrix het gerestaureerde Huis De Pinto geopend. Het behoud van het huis was in belangrijke mate de verdienste van kunstenaar en monumentenactivist Geurt Brinkgreve (1917-2005). Met de in 1971 opgerichte Stichting de Pinto wist hij in december van dat jaar de toezegging van de gemeente los te krijgen dat het huis niet gesloopt zou worden. Brinkgreve wilde een begin maken met herstel van de buurt, te beginnen met het bouwblok waarin het huis stond.

Daartoe deed hij een „extra emotioneel appèl”, zoals hij het zelf formuleerde, door aandacht te vestigen op het joodse verleden van de buurt, waaraan het Huis De Pinto een markante herinnering was. Het in 1605-1606 gebouwde huis was in 1651 verworven door de rijke joodse koopman Isaac de Pinto. Zijn zoon David de Pinto liet in 1686 de uitzonderlijke zandstenen voorgevel bouwen.

Rond 1970 was het ‘Wederopbouwplan Nieuwmarkt’ uit 1953 al niet meer algemeen aanvaard – behalve dan bij de gemeentelijke diensten. Op 5 januari 1972 stemde een ernstig verdeelde gemeenteraad, met één stem verschil, tegen de aanleg van een verkeersweg boven de metrobuis en voor het herstel van het oude stratenpatroon.

Dat het behoud van Huis De Pinto de weg blokkeerde is een regelmatig terugkerend fabeltje. De weg was in 1953 met een bocht om het huis heen getekend. Maar de aanwezigheid van het oude pand in het grote sloopterrein had een sterk symbolisch effect.

Het stond voor het geloof in de wederopstanding van de buurt, waarvan op de aquarel het prille begin te zien is: de steigers van de eerste nieuwe huizen. Omgeven door de nieuwbouw van architect Theo Bosch (1940-1994) is het Huis De Pinto nu een historisch anker, een herinnering aan de strijd die is gevoerd voor een kleinschalige en leefbare historische binnenstad.