Sloeproeien: blaren op je handen en geschaafde billen

Ruim honderd oud-mariniers roeiden in dertien sloepen van Rotterdam naar Londen. „Het mooiste is dat het roeien die mannen weer een doel heeft gegeven.”

Foto's Maarten van der Voorde

Ook mariniers houden het niet altijd droog. Daar stonden ze dan, bij de finish aan de Theems. Grijzende mannen met brandende handen en vochtige ogen. Ze omhelsden elkaar, hun vrouwen en kinderen. Er hing oranje rook en er ging kruidenbitter rond. De Dutch Marine Rowing Challenge (DMRC) was volbracht. Hooah!

Ruim honderd oud-mariniers roeiden vorige week in sloepen van Rotterdam naar Londen. Een hemelsbrede tocht van 350 kilometer omdat het Korps Mariniers 350 jaar bestaat. De eerste stop was Vlissingen, geboorteplaats van de oprichter van het korps, Michiel de Ruyter. Afsluiter was The Great River Race (34 kilometer), de jaarlijkse ‘riviermarathon’ van Canary Wharf in het oosten van Londen naar Richmond in het westen, waar ruim 300 sloepen aan meedoen.

Met de tocht is geld opgehaald voor ‘buddy’s in nood’, veteranen met bijvoorbeeld PTSS (posttraumatische stressstoornis), en voor de familie van overleden mariniers. De Johan de Witt van de marine voer mee: ‘een cruiseschip zonder patrijspoorten’ met een haven, vliegveld, ziekenhuis en hotel. Tientallen vrijwilligers, sponsoren en regionale omroepen haakten aan. De DMRC is in twee jaar tijd zo’n beetje uitgegroeid tot een merknaam.

Maar het begon heel simpel, met een knie. De rechterknie van Jan van de Werken (48), chef opsporing bij de politie in Rijnmond. Hij was er al drie keer aan geopereerd, maar wilde zijn kinderen trots maken. „Ik plaatste begin 2013 een oproep op het mariniersforum: mijn BMI is te hoog, ik ben te zwaar. Mijn knie is kapot, ik kan eigenlijk niets meer. Maar ik ga naar Londen roeien. Wie wil mee?”

De aanmeldingen bleven komen, ook nadat een tientje contributie per maand werd ingevoerd. Het plan was eerst om in 2017 naar Chatham te roeien, 350 jaar na de eerste zeeslag van De Ruyters mariniers tegen de Britse vloot. Van de Werken: „Maar al snel kregen we signalen van Defensie: is het wel fair om een overwinning te vieren op een bondgenoot?”

Het plan werd aangepast: niet in 2017 naar Chatham, maar in 2015 naar Londen. „Iets eerder en iets verder. Over het water zo’n 400 kilometer.” Alleen, de oud-mariniers konden nog niet roeien. Van de Werken: „Ik kreeg in september 2013 voor het eerst een riem in mijn handen. Na vijf minuten waren mijn armen verzuurd. Toen dacht ik: mijn god, wat heb ik gezegd met mijn grote bek?

‘Sloeproeien is hartstikke leuk, zolang je niet aan het roeien bent’ hoor je wel eens. Je hebt één riem. Je zet af vanuit je benen, buik en rug. En je ‘valt’ naar achteren met gestrekte armen. Het gaat om concentratie, energie verdelen en afzien. Blaren op je handen en geschaafde billen horen erbij. Sommige roeiers zitten op schapenvellen, anderen smeren uierzalf of dikke voetencrème. Van sloeproeien krijg je PHPD, zeggen mariniers: Pijntje Hier, Pijntje Daar.

De mariniers monsterden aan bij sloeproeiclubs door het hele land. Zoals de vereniging TIOG in Rotterdam, die in 1993 al eens het Kanaal overstak. Ze trainden op lange afstanden, deden mee aan wedstrijden. Op Texel, waar zeesoldaten ‘kiewen’ krijgen, kregen ze opnieuw een weekend amfibische opleiding. Zo, stelletje Facebook-mariniers, begon de instructeur. Met de armen ingehaakt moesten ze in zee gaan staan, hurken en kopje onder. In januari, bij windkracht zeven.

„Het was thuiskomen”, zegt mede-organisator Frank van Loo (42), in de burgermaatschappij verzekeringsagent. „Je ontmoet mariniers van Friesland tot Limburg, van dertig tot tachtig. Je hebt elkaar nooit eerder gezien en binnen vijf minuten is er die klik. De scherpe kantjes zijn er na al die jaren wel af, ook bij de stoerste machomariniers. Maar iedereen, stuk voor stuk, heeft wel iets zwart-wits. Je bent getraind om snel te beslissen, om snel te handelen.”

„Mariniers zijn sjacheraars”, zegt Van de Werken. Via hun netwerk ritselden ze alles bij elkaar voor de oversteek. Van 1,4 ton om nieuwe sloepen te laten maken, tot broodjes worst en flesjes water. Romeo Delta, zeggen ze dan: Regel Dat. Of Lima Bravo (Lekker Belangrijk) en Pappa Whisky (Prettig Weekend). Het is een eigen wereldje met een eigen taaltje. Oud-mariniers bestaan niet. Je bent marinier, of je bent het niet. Dát is de korpsgeest.

In een sloep ben je ook een soort eenheid, zeggen ze. Van Loo: „Wij noemen de stuurman voor de grap de geweergroepscommandant. Maar hij is wél de baas in de boot. En je moet in hetzelfde tempo roeien, net als bij marslopen.” Van de Werken: „In de sloep heeft iedereen zijn eigen pijn. Maar je moet het samen volhouden. Als ik een verkeerde slag maak, heeft iedereen er last van.”

Ze vertrokken vanuit Rotterdam tijdens de Wereldhavendagen. Een beetje zenuwachtig en in de stromende regen. ‘Mooi weer voor de aanval’, dus. Vrouwen pakten hun mannen bij de wangen. Komt goed, jullie gaan het halen, zeiden ze. Ze lijnden op langs de kade en zongen nog Lang zal hij leven voor stuurman Peter. Hij is zo’n veteraan met herbelevingen, die soms nog met een mes in de gang op de vijand wacht. En daar gingen ze, met dertien sloepen de Maas op.

Die eerste dag noemen ze al de ‘Hel van Vlissingen’. Met de slagregens en harde wind kwamen de mariniers nauwelijks vooruit. Ze lieten zich in het donker dertig kilometer slepen om de ontvangstceremonie in Zeeland niet te missen. De gang naar open zee werd een dag uitgesteld. Maar daarna kenterde het weer. Met windkracht vijf in de rug, stroming mee en een zonnetje duurde de oversteek in totaal een etmaal. Ze ‘surfden’ de Theems op, tussen de zeehonden en golven van twee, drie meter.

De ontlading volgde tijdens The Great River Race, pal onder Tower Bridge. De brug en kade stonden vol joelende vrienden en familieleden. De mariniers brachten een roeiersgroet met de riemen rechtop in de boot. Een van hen strooide de as van zijn moeder uit. Een ander roeide de race in de sloep Gone But Not Forgotten, voor zijn dochter die twee jaar eerder bij een verkeersongeval omkwam.

Zo had iedere marinier een eigen verhaal bij de tocht. „Er zitten vijf, zes jongens bij met PTSS”, zegt Van de Werken. „Een paar hebben financiële problemen. Eén stond op het punt crimineel gedrag te vertonen. En veel mariniers voelden zich nergens meer thuis, die misten iets. Het mooiste is dat het roeien die mannen weer een doel heeft gegeven.”

Voor sommigen was de tocht een afsluiting, zegt Van de Werken, maar voor anderen begint het nu misschien pas.

Roy Fluit (42) nam begin jaren negentig deel aan de VN-missie in Cambodja. „Je ziet gruwelijke dingen. Veel mijnongevallen, ook met kinderen. Ik heb er nooit last van gehad, maar het komt naar boven omdat je veel met mariniers praat. Het maakt mij heel emotioneel. Ik weet niet of dat goed is of niet. Maar als ik terugkijk op de afgelopen twee jaar voelt het als een enorme verrijking.”

    • Eppo König