Rutte kiest ontoelaatbare verwisseling van gedaante

De jaarlijkse Algemene Politieke Beschouwingen hebben een dubbele functie. Het is allereerst aan de fracties in de Tweede Kamer – hun aantal is inmiddels opgelopen tot zestien – een oordeel te vellen over de kabinetsplannen zoals deze op Prinsjesdag zijn gepresenteerd. Maar het is tevens de gelegenheid voor de fracties om hun positie in het politieke krachtenveld te markeren. Niet onbelangrijk voor een kabinet dat in de Tweede Kamer met 76 zetels over de kleinst mogelijke meerderheid beschikt en in de Eerste Kamer sinds de verkiezingen van dit jaar nog verder verwijderd is van een meerderheid.

De uitkomst van het tweedaagse debat is dat het kabinet zich niet direct zorgen hoeft te maken over de haalbaarheid van de begroting in hoofdlijnen voor volgend jaar. In de Tweede Kamer is er in elk geval een meerderheid dankzij de steun van beide coalitiefracties. De hulptroepen vanuit de oppositie maken deze meerderheid comfortabeler en betekenen tevens dat de begroting ook in de Eerste Kamer de eindstreep kan halen.

Wel is de rolverdeling binnen de oppositie veranderd. De ‘constructieve drie’ – D66, ChristenUnie en SGP – bestaan niet meer. Hun plaats is ingenomen door het CDA dat zich in tegenstelling tot vorig jaar in grote lijnen achter de begroting schaarde. De ‘verantwoordelijkheidsvakantie’ van de christen-democraten is voorbij; niet onbelangrijk met het oog op toekomstige coalitievorming.

Tot de wetmatigheden van de Algemene Politieke Beschouwingen behoort inmiddels ook dat PVV-leider Wilders telkens weer de grens verder weet te overschrijden. Zijn opmerkingen over de „islamitische invasie” naar aanleiding van de vluchtelingencrisis waren een haarscherpe definitie van het begrip xenofobie. Door het parlement waarin hij al zeventien jaar zitting heeft af te doen als nepparlement, plaatste hij zich verder buiten de orde. Jammer dat de Kamervoorzitter hem daar niet op wees.

Zorgelijker is dat de toon van Wilders school maakt. Premier Rutte herhaalde in het debat zijn opvatting dat Nederlandse Syrië-gangers beter daar kunnen sterven dan naar Nederland terugkeren. Zijn verdediging dat het hier een persoonlijke opvatting betrof en geen kabinetsbeleid, was bizar. Toen demissionair minister voor Vreemdelingenzaken Nawijn (LPF) in 2002 een soortgelijke verdediging koos na zijn opmerkingen over de wenselijkheid van de doodstraf, werd hij terechtgewezen door premier Balkenende.

Nu is het notabene de minister-president zelf die ervoor kiest een staatsrechtelijk ontoelaatbare gedaanteverwisseling te ondergaan. Rutte stond in de Tweede Kamer, niet in het café. Zeker in de huidige atmosfeer is het zaak dit onderscheid goed in acht te nemen.