Ongeveer de goede kant op

De werkelijkheid kan absurdistischer zijn dan fictie. Schrijfster Ilona Verhoeven ziet meer dan zij ziet.

Foto Ilona Verhoeven

Iemand heeft een geintje uitgehaald. Het bordje van de nooduitgang richting een vuilcontainer gedraaid.

Nou, lekker dan. Hoe moet het nu verder? Als je niet meer van het mannetje van de nood- uitgang op aankunt, op wie of wat dan wel? Er zijn verhalen over figuren die bij dreigende desoriëntatie uit arren moede broodkruimels gingen strooien. Dat bleek geen aanrader.

Zie je het mannetje, check dan even bij jezelf of je nog fit bent. Als je hem echt nodig hebt, kom je alleen goed uit als je, laten we eerlijk zijn, geluk hebt en als je een aardig eind kunt lopen.

Iedereen kent het mannetje. Die snelle kleine, die doet alsof hij rent. Naar links, naar rechts. Waar de vluchtweg heen leidt.

Met het mannetje kom je nog eens ergens. Hij posteert zich daartoe op onverwachte plekken, als een soort geest. In de supermarkt lokt hij je achter de lege flessen, in de schouwburg achter het podium, in het hotel krijg je een doorsteekje via het ontbijtbuffet, als het moet dóór het roerei heen. Nee, serieus, dit mannetje wijst de meest onmogelijke routes, hij staat zelfs bij vliegtuigvleugels.

Dag in dag uit in een en dezelfde houding, op één been, heeft hem weliswaar wat stram gemaakt, maar zijn figuur is na vele jaren nog altijd strak. En ondanks moderne navigatiesystemen en andere technologische ontwikkelingen blijft hij veelgevraagd.

Waar het mannetje naartoe gaat, is nogal vaag. Ongeveer de goede kant op. Naar een grote witte rechthoek. Iets ‘buiten’, een doorgang waar in een noodgeval de mens, met al zijn geloof, vertrouwen en neigingen, doorheen moet kunnen.