Midden in een gesprek vallen

Dichter des Vaderlands Anne Vegter bespreekt tweewekelijks op deze plek een gedicht.

Is er al iets gezegd over het gedicht dat Ronald Giphart voorlas tijdens de uitzending van De Wereld Draait Door, die volledig gewijd was aan onze zo betreurde Joost Zwagerman? Vast wel. „Mooi”, zei Matthijs van Nieuwkerk. En zo is het. Het gedicht staat in een bundel gedichten van Zwagerman uit 1988.

De naam van de toen jonge dichter was al bekend vanwege zijn lidmaatschap van de dichtersgroep ‘De Maximalen’. „De Maximalen”, zo leert een pittige formulering „wilden de muze de straat opjagen.” De poëzie had kloten nodig. Geen navelstaarderij in een gedicht, niet weer die stilte voor de schepping. De heren stonden voor een potje rumoer in de literatuur. De programmatische bundel Maximaal verscheen in 1988. In datzelfde jaar bracht Joost Zwageman zijn tweede persoonlijke bundel verzen uit, De ziekte van jij.

Zwagerman zou elk gedicht in deze bundel beginnen met drie puntjes. De … aan het begin van een gedicht suggereerden dat je zomaar middenin een gesprek viel. Wat eerder was gezegd, was kennelijk niet voor jou bestemd. Hoewel de bundel gevuld was met gedichten over de liefde was het vooral een vormexperiment. Dit weet ik, omdat de dichter het zelf beweerde. Hij probeerde allerlei dichters uit. Wat is er met deze vorm aan de hand?

Op het eerste gezicht niet veel. Het oogt als een klein verhaal. Een persoonlijk briefje misschien. Maar tel je de regels op dan rinkelt de bel. Veertien regels. De jonge Zwagerman liet zich leiden door sonnettenmeester Shakespeare. Toch is dit een echt sonnet op z’n Zwagermans. De dichter duwt het vers niet in het knellende jasje van rijmschema’s en metrum. Hij doet ferme uitspraken over grootse thema’s als de liefde, de dood en het niet-bestaan, maar het gedicht blijft licht van toon. Het zingt zelfs.

De goeie luisteraar hoort hoe er toch verborgen rijmen klinken (jij-mij, jou-vrouw, verdreven-leven-geven). Het heeft een springerig eigen ritme, dat je ontdekt door het voor te lezen. Maar wíl je het wel voorlezen? De eerste regel lukt nog wel. Daar is geen speld tussen te krijgen. De liefde is al te vaak bezongen maar blijft wat ze is: mooi. Daarna verleidt de dichter de lezer om het labyrinth van de liefdesverhouding binnen te wandelen. Nu wordt het wel erg privé.

De geliefde is verdwenen en de dichter blijft met een naar, ziek verlangen achter. Hij probeert te vatten wie of wat de ander voor hem was. Hij tilt grote woorden van de plank. Geluk, dood, niet-bestaan en ziekte. De dichter zoekt een weg terug uit het labyrint van de persoonsverwisselingen. Ben ik de ander geworden? In de liefde kan dat immers zomaar. Deze niet-gestelde vraag wordt beantwoord met een nieuw raadsel. De geliefde is er niet meer en blijft toch voor altijd in hem, als een ziekmakend onvervuld verlangen.

Joost Zwagerman bracht dit oeroude thema in één gedicht samen. Dat levert onweerstaanbare platitudes en intieme literatuur op, die tóch voor ons bestemd is. Ronald Giphart liet horen dat je dit gedicht juist wel moet voorlezen, om Joost geen dag te vergeten.

    • Anne Vegter