Manisch schrijven en dan de kogel

Toen deze Duitse schrijver een hersentumor kreeg, begon hij een blog. Het boek dat hieruit voortkwam laat zien dat een aangekondigde dood een mens enorm veel energie en werkkracht kan geven.

‘Wat status betreft is een hersentumor natuurlijk de Mercedes onder de ziekten. En een glioblastoom de Rolls-Royce. Met prostaatkanker of een verkoudheid was ik nooit aan deze blog begonnen,’ noteert Wolfgang Herrndorf (1965-2013) in zijn blog (maart 2010 tot augustus 2013). Maar de schrijver, die zichzelf op 26 augustus 2013 in Berlijn doodschoot, is niet altijd een sarcast. En een cynicus is hij nooit.

De blog begint als een informatiebron voor de vrienden die zich om de zieke schrijver bekommeren en groeit dan uit tot een openbaar autobiografisch boekproject: een experiment dat een uitzonderlijk gewicht krijgt omdat de dagen van de schrijver geteld zijn. Herrndorf maakt twee voornemens. Ten eerste wil hij al zijn schrijfprojecten voltooien. Ten tweede wil hij zijn ziekte verslaan voor hij er zelf door geveld wordt. De ‘exitstrategie’ ligt al snel vast. Herrndorf schrijft vaak met het wapen naast zich: ‘.357’er Smith & Wesson, niet geregistreerd, geen keuringsmerk. Maar als ik een patroon in de hand moet nemen, trilt mijn hand, ik voel een spits, zilverig trekken in mijn achterhoofd.’

Leven met het pistool op tafel heet het boek, waarmee de Nederlandse uitgever de originele Duitse titel Arbeit und Struktur van diezelfde tafel veegt. In de geest van de schrijver is dat zeker niet.

Werkkracht

Het begrip ‘werk en structuur’ biedt de schrijver immers houvast in zijn laatste levensfase, die vaak door vertwijfeling getekend is. Uit de spanning, ontstaan uit het voornemen zichzelf te doden en zijn te voltooien schrijfplannen, is dit blogboek voortgekomen. De schrijver jeremieert begrijpelijkerwijze over de zinloosheid van het leven, maar zijn medisch doodvonnis belet hem niet om hard door te werken. Hij gaat er manisch tegenaan en werkt soms zestien uur per dag. Het is een raadsel waar die werkkracht vandaan komt, maar de lezer beseft: de energie om te creëren moet wel putten uit dezelfde bron waaruit de kracht om te vernietigen komt.

Herrndorfs blog is een kosmos. Uiteraard gaat het om een persoonlijk ziektebulletin, want de schrijver toont wat een aangekondigde dood kan doen met een mens. Het is tevens een saluut en dankbetuiging aan ouders en vrienden, ook aan de tweeëntwintig artsen aan wie hij zijn boek opdraagt en die hij allemaal bij hun naam noemt.

Het blogboek biedt ruimte voor alle mogelijke invallen: belijdenis (‘Gelukkig was ik ook alleen maar als ik niet verliefd was’), reflecterende observatie (‘Er is weinig dat onzichtbaarder is dan monumenten’), tragikomische zelfspot (‘Ben ik eigenlijk nog met C.?) en zelfkritiek (‘Eén stofpluisje op de grond, en ik ben niet in staat om te werken’). Maar het boek heeft ook zijn zwakke momenten, waartoe vooral de irrelevante droomverslagen behoren en af en toe een pathetische platitude zoals de mededeling van het universum aan de stervende ‘dat hij niet nodig is, dat hij deze wereld koud laat’.

Altruïstische vrees

De angst van de schrijver dat zijn zelfdoding mislukt, mengt zich met een altruïstische vrees voor de consequenties van het slagen. Want ‘als je weken en maanden door het labyrint gedoold hebt op zoek naar de zekere uitgang, dan begrijp je op een gegeven moment hoe volslagen redelijke en toerekeningsvatbare mensen op het idee kunnen komen op een ICE-traject te gaan staan in het volle bewustzijn de machinist voor de rest van zijn leven te traumatiseren’. Vandaar Herrndorfs hartstochtelijke (en soms door zijn vrienden bekritiseerde) pleidooi voor een doeltreffend zelfdodingssetje dat voor iedereen bij de apotheker klaar zou moeten staan. Zijn woede treft iedereen die daarover moraliseert.

Tussendoor lees je vinnige en polemische mini-essays over religie, film en literatuur. De literaire ‘Meet & Greet’-interviewers en de recensenten die al in de eerste zin de roman-plotpoints verraden, krijgen er flink van langs. Aankomende schrijvers krijgen het advies de dingen niet nodeloos te compliceren, want ‘zolang je niet bewezen hebt dat je het eenvoudig kunt, kun je het ook niet ingewikkeld’.

Terwijl Herrndorf aan zijn blog schrijft, scoort zijn road novel Tsjik onverwacht hoog op de bestsellerslijst. De roman wordt in alle mogelijke talen vertaald. Juist dat megasucces wordt nu voor de schrijver ook een bron van bitterheid. Een kwarteeuw leefde hij immers aan de armoedegrens, hopend ooit eens een tweekamerwoning met uitzicht te zullen hebben, en ‘nu zou ik zescijferige bedragen kunnen verdienen, en er is niets wat me minder kan schelen’. Maar zelfs zulke klachten worden overklast door Herrndorfs soevereine keuze voor de vrijheid die culmineert in de simpele zin: ‘Schrijven wilde ik altijd.’