Kuifje in het winkelcentrum

Afrikakenners denken vaak dat westerlingen het continent zien als één groot armoedig land. Dat is een achterhaald beeld. Weinig mensen zullen weten dat Ethiopië voedselbeurzen organiseert.

In de townships tijdens het WK Voetbal in Zuid-Afrika in 2010 Foto Pieter Hugo, uit besproken boek

Toen op 21 september 2013 vijf Al-Shabaab-schutters het winkelcentrum Westgate in de Keniaanse hoofdstad Nairobi binnenliepen, schoten ze niet alleen 67 mensen dood, maar gaven ze ook uitdrukking aan het nieuwe Afrika. Volgens journalist Alex Perry toonde het winkelcentrum enerzijds de stijgende welvaart in Afrika, maar tegelijkertijd de inhaligheid en ongelijkheid waar het continent ook onder gebukt ging. Tegelijkertijd waren de hulpverlenerselite en de regering het doelwit van een volkswoede waar de islamisten van profiteerden. Dit is het Afrika dat journalist Alex Perry in zijn nieuwste boek De Breuklijn. Verhalen uit het andere Afrika wil laten zien. Aan de hand van verhalen, anekdotes en eigen ervaringen – Perry reisde jarenlang als journalist voor Time Magazine het continent over – vertelt hij hoe Afrikanen hun ‘vrijheid zullen veroveren’.

Het zijn woorden van iemand met een duidelijke boodschap, die het beter weet dan de westerling die Afrika ziet als een ‘donker land’ waar alleen maar armoede bestaat en waar corruptie de overheersende economische vorm is. Die houding zie je vaker bij Afrika-watchers: ze benadrukken dat Afrika, anders dan ‘wij’ denken, het grootste en meest diverse continent is door het in een breed gebaar als een geheel te presenteren waar alles bruist van vernieuwing, creativiteit, et cetera. Zo willen ze een alternatief bieden voor de pessimistische verhalen van iemand als Paul Theroux, die in Afrika vooral apathie en teloorgang ziet.

Perry is iemand die ‘het andere Afrika’ toont, zoals dat in uitgeversjargon heet. Het besef dat niemand meer het ‘gewone Afrika’ (wat dat ook is) beschrijft, maar juist het Afrika dat we nog niet kennen in al haar rijkdom en diversiteit, is kennelijk nog niet doorgedrongen. Het besef dat een uitdrukking als het ‘andere Afrika’ bij uitstek generaliserend is evenmin.

Voedselbeurs

Zijn clichématige insteek laat onverlet dat Perry mooie verhalen heeft te vertellen. Hij is bepaald niet iemand die Afrika thuis vanachter het bureau wil analyseren. Zo schrijft hij over de rode Porsches van drugshandelaren in Guinee-Bissau, over Boko Haram en de hysterische vrouw van de voormalige Nigeriaanse president Goodluck Jonathan, over de Amerikaanse keten Walmart, die besluit alleen nog biologisch geteelde katoen te gebruiken om de bezorgde westerse consument tegemoet te komen, waardoor de malariamug vrij spel krijgt en de babysterfte op katoenplantages toeneemt. Ook heeft hij het over de achtergronden en de bekering van Osama Bin Laden, en over de rijkdom van Rwanda, dat een grotere economische groei kent dan China of India.

Veel van die verhalen bevestigen een beeld dat we eigenlijk hebben, maar er zitten ook verrassingen bij. Zo schrijft Perry over zijn gesprek met de initiatiefneemster van een voedselbeurs in Ethiopië: ‘Wie is dat rare mens dat een voedselbeurs begint in een land waar niet eens voedsel is?’ Perry zelf haalt aan dat in Kenia, Zuid-Afrika en Nigeria de voedselexport enorm stijgt. Dat Afrika als continent de wereld gaat voeden, is voor veel buitenlanders even wennen, aldus Perry. Hetzelfde geldt voor Afrikaanse landen die vooroplopen met IT-ontwikkelingen, alternatieve manieren van bankieren of milieu-initiatieven, zoals de vergroening van de Sahara. Ideeën waarbij Afrika kan profiteren van globalisering.

Dat laatste is een vrij opmerkelijk perspectief. In Falling of the Edge (2008) schreef Perry namelijk nog dat globalisering de oorzaak zou worden van veel oorlogen. En ook in dit boek gaat tweederde eigenlijk over de negatieve gevolgen van invloeden van buitenaf. Het Westen krijgt het daarbij zwaar te verduren. Hulporganisaties profiteren vooral zelf van hun inspanningen en de voedselhulp is commercieel geworden. Perry haalt het voorbeeld van Mogadishu aan. In 2011, tijdens het hoogtepunt van de voedselscrisis, leden 2,8 miljoen mensen honger terwijl in de havens voedselpakketten van de VN klaarlagen. Ze werden echter tegengehouden door de Verenigde Staten om zo het door Al-Shabaab beheerste gebied te verzwakken. Ondertussen verklaarde Oxfam bovenop deze humanitaire ramp te zitten. De hulporganisatie hoopte één miljoen mensen te bereiken en verzocht ieder geld over te maken omdat er nog 1,4 miljoen dollar nodig was. ‘Ik was in Somalië. Ik wist dat Oxfam er níét was’, schrijft Perry.

Wat dat betreft valt De breuklijn te lezen in de traditie van boeken die uitleggen waarom de westerse hulpverlening Afrika alleen maar verder kapot maakt. Ontwikkelingshulp kweekt corrupte regeringen, zei econoom Peter Bauer al in de jaren zeventig. Het is een vergelijkbaar geluid dat te horen was bij de door Perry met instemming aangehaalde ontwikkelingseconoom William Easterly. Deze kwam vorig jaar nog met The Tyranny of Experts. Economists, Dictators, and the Forgotten Rights of the Poor waarin hij uitlegt dat experts in onder meer Afrika hun even heilzame als noodlottige werk verrichten. Bij het grote publiek drong hij al eerder door met The White Man’s Burden, waarin hij de weldoeners wegzette als neokolonialisten.

Opvallend genoeg negeert Perry de econome Dambisa Moyo, die opzien baarde met Dead Aid (2009) waarin ze een pleidooi hield voor het per direct stoppen met economische hulp, terwijl haar verhaal perfect aansluit bij zijn pleidooi: China heeft haar rol begrepen door te geven waar ze in Afrika om vragen, Europa daarentegen heeft er niets van begrepen en niets geleerd van de fouten die in het koloniale verleden zijn gemaakt. Want als voor Perry iets duidelijk is, dan is het: hoe minder inmenging van buitenaf, hoe beter. Vooral omdat die inmenging gepaard gaat met een enorme arrogantie: Human Rights Watch durft wel kritiek uit te oefenen op het mensenrechtenbeleid van de Rwandese president Kagame in Rwanda, maar niet op dat van president Bush.

Kagame heeft er een verklaring voor, vertelt hij Perry wanneer deze twee samen een week optrekken: ‘De gedachte dat Afrika niet voor zichzelf kon zorgen moest aan de kaak worden gesteld als wat het was: racisme.’

George Clooney

De breuklijn uit de titel verwijst naar de Grote Riftvallei, en die is symbolisch voor Perry. Het land is hier letterlijk gebroken, maar heeft zichzelf in schoonheid heropgebouwd. Er gaat een hoop kapot, maar daar kan wat moois uit voortkomen. Dit zijn de ingrediënten waar Afrika het mee moet doen, want inmenging helpt niet. Zo hekelt Perry de mensen die riepen dat Boko Haram de ontvoerde meisjes terug moest geven, omdat ze alleen maar het tegenovergestelde bereikten. Ook heeft hij commentaar op onder meer Samantha Power, de Amerikaanse ambassadeur bij de VN, die zich ten tijde van wereldwijde campagnes om rebellenleider Joseph Kony voor het internationaal strafhof in Den Haag te krijgen opstelde als een popster. Ondertussen is Perry ervan overtuigd dat de Zimbabwaanse president Mugabe tijdens een speech alleen het woord tot hem richt en leest hij Jacob Zuma in Zuid-Afrika persoonlijk de les.

Er zijn buiten de Afrikanen zelf – die meestal uitstekend weten waar het naartoe moet – slechts twee mensen die dat ook weten: Alex Perry en George Clooney. In een hoofdstuk gewijd aan de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan en de daaropvolgende neergang besteedt Perry veel ruimte aan de intieme band tussen hem en Clooney, waarbij de laatste wel iets (onbedoeld ongetwijfeld) weg heeft van Kuifje in Afrika.

Clooney is namelijk stoer, slim en betrokken (en net als Kuifje óók niet erg lang), terwijl hij ook nog een beetje aan zelfreflectie doet (zijn werk voor Zuid-Soedan geeft hem persoonlijk veel, en wie dat inziet, heeft het volgens Perry begrepen). Wanneer het dieptepunt is bereikt, schrijft een inwoner van Zuid-Soedan: ‘De ramp in Zuid-Soedan kende een duidelijke oplossing: George Clooney moet zich nu meer inzetten om de toekomst van dit land mede vorm te geven.’

    • Toef Jaeger