Kosmopolitisme is onverschilligheid

In zijn bundel essays, ‘Tegen de kruideniers’, komt Luc Devoldere op voor de traditie. Zeker als het om Europa gaat, is het waanzin om het verleden te negeren. Europa is te belangrijk om aan de EU over te laten.

Devoldere heeft bezwaren tegen de te eenzijdig op economie en vrije markt gerichte EU

Soms is het eenvoudiger om te zeggen waar je tegen bent dan waar je voor bent. Tegen de kruideniers heet de nieuwe essaybundel van Luc Devoldere, in het dagelijkse leven hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Ons Erfdeel. Wie is er niet tegen kruideniers, behalve wanneer je voedsel nodig hebt? Devoldere associeert ze met ‘bekrompenheid’ en ‘krenterigheid’, en ze hebben Europa in hun greep. Althans dat is de strekking van het motto, afkomstig van de Roemeense denker Cioran: ‘Welke vloek heeft het Westen getroffen, dat het op het eind van zijn bloei alleen nog zakenlieden voortbrengt, kruideniers en sjacheraars met lege blik en verstorven glimlach?’

Na dit gelezen te hebben, bereidde ik mij voor op een stevige portie cultuurpessimisme. Gelukkig blijkt dat mee te vallen. Hoogstens beantwoordt Devoldere de vraag die Cioran stelt, niet door diens sublieme gesomber nog eens dunnetjes over te doen, maar door uiteen te zetten waar hij voor is. Daar heeft hij de rest van zijn boek voor nodig, na in de titel de vijand te hebben benoemd.

Dat wil niet zeggen dat alle kritiek ontbreekt. Zo heeft Devoldere (wie niet) bezwaren tegen de te eenzijdig op economie en vrije markt gerichte EU. Ook betreurt hij, classicus van professie, het verdwijnen van het Latijn als Europese taal. En als hij schrijft dat ‘we’ tegenwoordig ‘cultuurconsumenten’ zijn geworden en geen onderscheid meer maken tussen ‘hoog en laag’, dan weet ik niet of hij zichzelf meerekent, ook al bevat zijn boek een lofzang op Bob Dylan.

Wie hem echter een ‘nostalgicus’ noemt, krijgt te horen dat hij slechts het belang van traditie (en van canon en norm) bepleit. De wereld is niet pas vandaag uitgevonden en waarom zou je daarvoor de ogen sluiten? Traditie, zo citeert Devoldere meer dan eens G.K. Chesterton, is de ‘democracy of the dead’. Hun stem heeft er ook recht op om te worden gehoord.

In het merendeel van zijn essays vervult Devoldere de rol van intermediair tussen verleden en heden. Want beide kunnen niet zonder elkaar. Ook hier zijn ‘bekrompenheid’ en ‘krenterigheid’ uit den boze. Zeker als het om Europa gaat – en in deze essays gaat het vaak over Europa – zou het waanzin zijn het verleden te negeren. Anders gezegd: we kunnen Europa niet aan de EU overlaten, goede Europeanen zijn we pas als we erin slagen met onze aandacht de rijke culturele traditie van het continent levend te houden.

Thuis

‘In Europa ben ik thuis’, schrijft Devoldere. Maar ‘thuis’ is ook Vlaanderen en in tweede instantie België. Vanwege de meertaligheid en de overige tegenstellingen in zijn land beschouwt Devoldere deze achtergrond als een goede uitgangspositie om vergelijkbare kwesties in Europa te bespreken. De culturele tegenstellingen zijn er nog veel groter, evenals de meertaligheid. Waar hij niets in ziet, dat is in een ‘vals kosmopolitisme’, een kosmopolitisme dat nergens ‘geworteld’ is en daardoor ‘leeg’ blijft. Devoldere zegt het niet met zoveel woorden, maar alleen wie (zoals de meeste Nederlanders) nooit geworsteld heeft met zijn nationale identiteit kan zich een dergelijk tot niets verplichtend kosmopolitisme veroorloven. Het berust in wezen op onverschilligheid.

Hier zie je de les van zijn Vlaams-Belgische achtergrond in actie, want in België is de nationale identiteit nergens vanzelfsprekend. Daarvan getuigt de meertaligheid van het land. Niet alleen is België verdeeld in een Nederlands, Frans en Duits taalgebied, ook binnen die taalgebieden concurreren verschillende ‘talen’ met elkaar.

In Vlaanderen onderscheidt Devoldere maar liefst drie talen: het dialect dat hij als zijn ‘moedertaal’ beschouwt, de Nederlandse cultuurtaal die fungeert als ‘standaardtaal’ in het publieke domein en een ietwat schemerige ‘tussentaal’ die ‘omhooggevallen Vlamingen’ plegen te gebruiken. In Europa is nu een soort Engels de standaardtaal geworden. Ooit vervulde het Latijn die functie, maar zelfs Devoldere (die Tacitus’ stilistische superioriteit aan de hand van één zin demonstreert) gelooft geen moment in het herstel daarvan. Wel pleit hij ervoor dat men méér buitenlandse talen zal leren dan alleen het Engels. In de Lage Landen liggen Duits en Frans uiteraard voor de hand. Ooit hoorde scholing in deze talen tot het curriculum, maar de ondoorgrondelijke wijsheid van het onderwijsbeleid heeft daar met succes een eind aan gemaakt. In België is dat kennelijk anders, want Devoldere schrikt er niet voor terug om Franse citaten onvertaald te laten.

Dat doet hij bijvoorbeeld in twee bijzonder interessante essays over in het Frans schrijvende Vlaamse auteurs als Emile Verhaeren en Maurice Maeterlinck, ooit Europese literaire grootheden, nu vrijwel vergeten. Als ‘zanger van de machines van de nieuwe tijd’ liep Verhaeren vooruit op het Futurisme, terwijl Maeterlinck (die in 1911 de Nobelprijs voor literatuur kreeg) in sommige toneelstukken aan Beckett herinnert. Met zijn overtuiging dat het wezenlijke altijd onuitgesproken blijft, past hij bovendien in het rijtje van Wittgenstein, Musil en Hoffmannsthal die min of meer tezelfdertijd in Wenen de crisis van de taal Het is mooi dat Devoldere deze auteurs, met hun meertaligheid en hun Europese statuur, even uit de schaduw haalt. Hetzelfde geldt voor de Vlaamse monnik die in de dertiende eeuw, nog vóór Marco Polo, naar Mongolië reisde, evenals voor de surrealistische schilderes Rachel Baes, die zowel de geliefde was van de ‘Dietsche’ fascistenleider Joris van Severen als de vriendin van André Breton en Paul Léautaud. Met de ‘lieux de mémoire’ van de Eerste Wereldoorlog, die hij in een ander essay bezoekt en bespreekt, lijkt Devoldere welhaast een persoonlijke band te hebben – ze horen bij de streek (West-Vlaanderen) waarin hij is opgegroeid én bij het grotere Europa.

Muur van Hadrianus

In al deze stukken is Vlaanderen of toch in elk geval België het uitgangspunt, in andere teksten zien we Devoldere met een gezelschap langs de Muur van Hadrianus wandelen, op de grens tussen Engeland en Schotland. Of hij zoekt in Venetië naar de sporen die Lord Byron er heeft achtergelaten. Dat laatste gaat gepaard met iets te veel dweperige Schöngeisterei (‘En zacht in de avond sterft een gesprek uit...’), maar dat is een uitzondering: gewoonlijk schrijft Devoldere helder, precies, genuanceerd.

En er is nog een andere kwaliteit die deze essays hun charme geeft en die terloops ter sprake komt wanneer Devoldere de Belgische taalpolitiek behandelt. Naast de ‘wettelijkheid’, die hem het recht geeft in het tweetalige Brussel allereerst Nederlands te spreken, is er de ‘hoffelijkheid’, die hem verbiedt onder alle omstandigheden op zijn strepen te staan. Het is vast niet zo bedoeld, maar met dit woord karakteriseert de schrijver zichzelf ten voeten uit: een hoffelijker gids naar het verleden en de traditie kan men zich moeilijk wensen.

    • Arnold Heumakers