Kees Moeliker remt ook voor dode dieren

De nieuwe directeur van het Natuurhistorisch Museum is trots op zijn tas van vinvispenis. „De veldbioloog is een apart soort mens.”

De nieuwe directeur van het Natuurhistorisch Museum temidden van een verzameling jachttrofeeën. Foto Robin Utrecht

Kees Moeliker is een bevlogen man. Of het nou een egel is die stierf in een McFlurry-beker of een collectie van 2.500 vliegenmeppers, Moeliker vertelt er sappig over. Dat doet hij al 26 jaar bij het Natuurhistorisch Museum Rotterdam: eerst als educatief medewerker en later als conservator en hoofd communicatie. Op 1 december maakt hij zijn laatste promotie, want dan volgt hij Jelle Reumer (die na 28 jaar fulltime hoogleraar wordt) op als directeur.

Waarom ben jij de nieuwe directeur?

„Het profiel van de nieuwe directeur past heel mooi bij mij. Het bestuur wil graag dat het museum doorgaat zoals het nu reilt en zeilt. En ik plak de pakweg tien jaar die ik nog mag werken er graag hier aan vast. Geloof mij, dit is voor een bioloog echt een fantastische plek. En omdat we klein zijn, kunnen we snel dingen beslissen en ideeën uitvoeren.”

Welke dieren wil je nog per se scoren?

„Ik wil graag de flora en fauna van Rotterdam blijven verzamelen en documenteren. Stadsnatuur is ontzettend aan verandering onderhevig. De stad wordt groter, het platteland krimpt, dus de natuur kruipt de stad in. Het museum omarmt die stadsnatuur heel bewust.”

Is er zoiets als Rotterdamse stadsnatuur?

„Wij hebben het voordeel van de haven. Dankzij transport groeien hier heel bijzondere planten uit Zuid-Afrika en Australië. En de hoogbouw heeft een aantrekkingskracht op roofvogels, zoals de slechtvalk. Die zit hier op het logo van het Erasmus MC. Van nature broeden deze vogels in hooggebergten en langs kliffen, maar ook zij hebben de stad ontdekt.”

Waarom is natuur van belang voor de stad?

„Als hier geen vlinders, bijen of huismussen meer zijn, dan moet je je afvragen of de stad nog wel een plek is voor mensen. Bovendien zit er ook emotie in, zoals wanneer je ’s morgens vroeg door de stad fietst en de roodborstjes en de zanglijsters hoort fluiten. Je hebt mensen die op de fiets naar muziek luisteren, maar voor mij is het altijd: wauw, krijg nou wat, het is alweer april.”

Loop jij altijd zo door de stad?

„De veldbioloog is een apart soort mens dat altijd om zich heen kijkt. Ik ben een keer ongelofelijk op mijn bek gegaan rond Koninginnedag, want dan ben ik erg gespitst op de komst van de gierzwaluw. Toen struikelde ik op de Binnenweg over de tramrails en heb ik drie weken met een stok gelopen. In de auto moet ik me ook altijd concentreren. Als er iets in de berm op een paaltje zit, of ik zie een dood beest liggen, dan zou ik het liefst op de rem trappen.”

Tot slot: wat is het meest opmerkelijke onderdeel van de collectie?

„Anton van Deinse was leraar biologie van het Erasmiaans Gymnasium. Hij was bezeten van dolfijnen en walvissen en bouwde achterin zijn lokaal een museumpje. Van de scheepsarts van de Willem Barentsz, de laatste walvisvaarder van Nederland, heeft hij de huid van de penis van een vinvis gekregen. Daar heeft Van Deinse in 1958 voor 20 gulden een tas van laten maken. En die tas exposeren we hier.”

    • Inge Janse