‘Had hij verdomme maar iemand gebeld’

In het Uitvaartmuseum zou hij deze maand een lezing geven over zelfmoord – het voorkómen ervan. Ach, Joost Zwagerman.

Uitvaartmuseum Tot Zover. Hier zou Joost Zwagerman op 29 september spreken over het voorkomen van zelfmoord. Foto Pieterjan Luyten

‘Zwagerman zag het als ieders opgave om uit alle macht en met alle middelen andermans zelfmoord te voorkomen”, meldt de website van Uitvaartmuseum Tot Zover. „Om die reden had hij zijn medewerking toegezegd om samen met David Van Reybrouck op 29 september – n.a.v. onze tentoonstelling over suïcide – een lezing te geven over preventie. Een navrante samenloop.”

Dit gegeven, vermengd met – nog steeds – ongeloof, maakt dat je het museum, gelegen op begraafplaats De Nieuwe Ooster, bijna beschroomd betreedt. Hier zou hij ook hebben gelopen, over anderhalve week. Joviaal als altijd, strak in het pak. Maar hem vurig zien en horen spreken kan alleen nog via Uitzending Gemist. Woensdag werd Joost Zwagerman begraven.

Uitgerekend hij. Dat gevoel verdwijnt niet als je de expositie bekijkt die hier sinds eind juni te zien is. De Vogelvanger staat geheel in het teken van zelfmoord. Het wil de taboes rond zelfdoding doorbreken en met name de „hoopvolle boodschap” communiceren: „Erover praten helpt.” De expositie was hard nodig, zegt conservator Babs Bakels. Gemiddeld plegen in Nederland dagelijks vijf mensen zelfmoord. In een film over de telefonische hulp- en chatlijn 113Online, te zien op de expositie, zegt psychiater en directeur Jan Mokkenstorm: „Je hoort soms gewoon de trein langs razen als je iemand aan de lijn hebt.” Hij is ervan overtuigd dat het cijfer fors omlaag kan. Want hulp op het juiste moment, al is het maar een onbekende aan de telefoon, kan iemand nét weer naar de goede kant van de streep trekken.

Zwagerman toonde zich betrokken, zegt Bakels. „Je voelde wel dat er dat vuur in zat.” Hij zou het over zijn boek Door eigen hand hebben, daarna een gedeelte wijden aan zijn vriend Rogi Wieg („de euthanasie van Rogi kon hij niet verdragen”), en dan een discussie voeren over euthanasie. „Kleed het maar in met mooie muziek, had hij me gevraagd.” Het zou werk worden van Bernd Alois Zimmermann – die vlak daarna eveneens zelfmoord zou plegen. Requiem für einen jungen Dichter, waarin je „de depressie hoort toenemen”, met een „heel eng” einde – als kortsluiting in het hoofd. Dat stuk gaat ze nu niet meer afspelen. Te zwaar.

De avond gaat, zonder Joost, wel door. „Juist nu. Het is urgenter dan ooit.” Ze zucht. „Had Joost verdomme maar… had hij maar iemand gebeld.”

Zijn zelfmoord heeft, „hoe ontzettend wrang en dubbel ook”, ook hoopgevende kanten, zegt ze. „Zijn dood redt levens.” Ineens is er volop aandacht voor het thema. „De media zijn onmisbaar om het effect te laten sorteren waar ik op doelde: DOE HET NIET. Blijf communiceren. Bel 113.”

Ze vertelt over een vriendin die een zelfmoordpoging deed, maar op het allerlaatste moment voelde: dit wil ik niet. Net op tijd wist ze het proces te keren. „En zij was daarna zó blij dat ze nog leefde. Nu gaat het weer goed met haar.” Want dat is de tragiek, zegt ze: de meeste mensen die een poging doen wíllen eigenlijk helemaal niet dood. „Je wilt wel leven, maar je wilt dát leven niet.” Er is dan ook een groot verschil tussen de, zoals zij het noemt, ‘balanszelfmoord’, „een afgewogen beslissing waar je ruim de tijd voor hebt genomen, waarbij je je hebt verdiept in de methode, vaak ook afscheid hebt genomen van mensen”; en de ‘impulszelfmoord’, een plots gevoel van „intense wanhoop”, waarbij alle tegenargumenten en gedachten aan geliefden zelfs niet meer bereikbaar zijn – kortsluiting dus, de term die ook al viel in de Zwagermanuitzending van DWDD. „En dit van Joost klinkt toch echt als een impulszelfmoord.” Stilte. „Verschrikkelijk.”

Weer buiten, tegenover de aula waar Joost Zwagerman straks ongetwijfeld vol vuur zijn pleidooi zou hebben gehouden, hangt een serene stilte. Daar dwars doorheen blijft dat ene onverteerbare zinnetje nagalmen van David Van Reybrouck, ook in DWDD, daags na Zwagermans dood: „Ik denk dat Joost het zich nu al beklaagt.”

    • Saskia van Loenen