Gratis praatjes

Het was natuurlijk goed bedoeld: een etmaal nadenken met zijn allen in de Stadsschouwburg over het vluchtelingenprobleem. De brainstorm ‘24 uur Onbegrensd’ leverde talloze vergezichten op over ontheemden en hoe daarmee om te gaan. Menig spreker haalde het liefst de hele wereld erbij om te getuigen van zijn betrokkenheid bij al die miljoenen in nood. Hoezeer er in de schouwburg bij het Leidseplein ook werd nagedacht onder leiding van Jörgen Raymann: concrete oplossingen brachten de ex-wethouders en andere representanten van de Amsterdamse intelligentsia niet naar voren. Het leek niemand te deren. Samen de geest laten waaien gaf een fijn gevoel.

Het slotwoord was nog niet gesproken of een meute vluchtelingen meldde zich twee kilometer verderop met slaapzakken en AH-draagtassen op het Centraal Station. Behalve VluchtelingenWerk was er niemand om ze te helpen. En al helemaal geen BN’er. Uiteraard was De Telegraaf er als de kippen bij om het contrast te tonen: nu het aankwam op handen uit de mouwen gaf de inner circle niet thuis. Grote woorden ja, Syriërs van vlees en bloed helpen nee.

Beetje populistisch om het zo te zien, maar er zat wat in. Burgemeester Eberhard van der Laan bezigde op datzelfde moment, begin deze week, ook al zo’n vreemd woordje. „Amsterdam moet natuurlijk zijn deel doen, maar kan er ook problemen mee gaan krijgen.”

‘Moet’. Van een burgervader die zo graag verwijst naar oud-Amsterdamse deugden als tolerantie en gastvrijheid zou je ‘wil’ verwachten. ‘Wil’ werd een dag later veelvuldig gehoord op de plek van de eerste tijdelijke opvang van vluchtelingen. In Osdorp — inderdaad, op veilige afstand van het Leidseplein — werd een sportcentrum geopend als noodopvang. Tientallen lokale bewoners stroomden toe met speelgoed, kleren en muziekinstrumenten: ze wilden de aangekomen vluchtelingen o zo graag helpen. „Ieder weldenkend mens wil iets doen”, zei de directeur van het Calandlyceum, waarvan de leerlingen voorlopig niet kunnen gymmen in het sportcentrum. Een man met een baardje glunderde bij het idee dat hij niet meer terecht kon aan de fitnessapparaten: zo droeg hij werkelijk iets bij, iets zichtbaars. Het was een mooi gezicht, al die gewone mensen aan de verkeerde kant van de ringweg met hun handgeschreven blaadjes („welcome”); veel mooier dan een schouwburg gevuld met gratis praatjes in een sfeer van ons kent ons.

Op deze manier is Amsterdam voer voor populisten. De toeristen verwelkomen we binnen de ring; de vluchtelingen erbuiten. In het centrum de welgestelden die bijverdienen aan rijke buitenlanders via airbnb; buiten de ring de lagere klassen, de migranten, de bewoners van rechthoekige woonkazernes waar toeristen geen belangstelling voor hebben en waar de mensen willen helpen.

Binnen de ring is Amsterdam vol. Na decennia van krimp groeit de bevolking weer en de trek richt zich vooral op de ‘leuke’ oude wijken in en rond het centrum. Door dat succes moeten de vluchtelingen maar naar de nieuwbouw die niet tot ‘de stad’ wordt gerekend. Wethouder Eric Van der Burg zei in de gemeenteraad dat asielzoekers in Amsterdam altijd welkom zijn. „Een stad met de rijkdom als de onze moet zijn verantwoordelijkheid nemen.”

Moet: hou dat woordje in de gaten.