Gevlucht en terug

Het gebeurde toevallig: ik ging naast hem zitten in de metro op weg naar mijn huis. Een oudere, magere man met felblauwe ogen. Hij keek naar de lamp die ik gekocht had op de rommelmarkt en lachte: „Lang geleden heb ik onder zo’n lamp gestudeerd.” Hij vroeg me wat voor werk ik deed en zei toen: „Dan heb ik een verhaal voor je.” En precies op dat moment stopte de metro bij mijn halte.

„Waar stapt u uit?” vroeg ik. Het eindstation, zei hij. Dus bleef ik zitten.

Hij vertelde: voor het eerst sinds vier jaar is hij terug in de stad waar hij is opgegroeid. Hij woont in Casablanca. In een huis vlak bij de zee. „Net als in de film?” vraag ik. Hij knikt: „Net als in de film.” Zijn vrouw is Marokkaanse. Hij zegt: „De mooiste vrouw die je ooit hebt gezien.”

Ze ontmoetten elkaar in een buurtcentrum in Noord. Hij werkte daar als vrijwilliger, zij kwam regelmatig op bezoek. Ze was hier illegaal. Onder een deken in een auto naar Lyon gesmokkeld en van daaruit verder naar haar Rotterdamse tante, met de trein. „We zijn hevig verliefd geworden”, vertelt hij. „En samen zijn we uit Europa gevlucht. Via Brussel, met hulp van een vriend op het consulaat.” In Casablanca heeft een familielid dat werkte bij de politie, al haar gegevens uit de computer verwijderd. Ze kregen een dochter, vonden een paleisje en zijn getrouwd. Het leven was een sprookje.

„Stress bestaat niet in Marokko. Daar is de regel: als het vandaag niet komt, dan komt het morgen.” Maar afgelopen augustus werd hij ziek. Na een aantal onderzoeken in Marokkaanse privéklinieken, besloot hij terug te keren naar Rotterdam. Hij logeert bij zijn zwager aan de Slinge. „In vier jaar tijd is er hier veel veranderd”, zegt hij. „De stad bruist. Ik hoop dat ik daar nog iets langer van mag genieten.”

Vorige week kreeg hij een uitslag: in het beste geval heeft hij nog 5 of 10 jaar te leven. Over het ergste geval wilt hij niet nadenken. „Het is vreemd om ineens zo bewust met het leven bezig te zijn. Misschien kom ik morgen onder een auto en dan is sowieso alles voorbij.”

Dan stopt de metro. We zijn bij het eindpunt. Terwijl hij al op de roltrap staat, besef ik dat ik ben vergeten om zijn naam te vragen. „Schrijf maar ‘naam bekend bij de redactie’”, roept hij.

    • Raoul de Jong