Opinie

    • Frits Abrahams

De uitslag

Onlangs meldde ik dat ik een uitnodiging had gekregen voor het bevolkingsonderzoek darmkanker, in de wandeling ook wel de nationale poeptest genoemd. Ik schetste het dilemma: wel of niet meedoen? Beide opties bleken risico’s in te houden. Ik twijfelde nog, maar liet merken dat ik naar meedoen neigde.

De column riep zeer tegengestelde reacties op. Er meldden zich enkele gerenommeerde artsen met de boodschap: doe het vooral niet, dat hele onderzoek is een onzinnig, geldverslindend project dat meer kwaad dan goed doet, het kan zelfs dodelijke beschadigingen van de darm veroorzaken. Een arts beweerde dat een grote meerderheid van artsen in Nederland en België zich daarom zelf niet voor onderzoek had aangemeld.

Tegelijkertijd kreeg ik reacties van gewone lezers die mij op het hart drukten me vooral wél te laten onderzoeken. Bij hen waren een of meer ‘onrustige’ poliepen gevonden die van plan waren geweest door te groeien naar een buitengewoon eng gezwel. Ik herinnerde me dat een van de genoemde artsen me had voorgehouden dat gemiddeld 18, 19 van de 20 gevonden poliepen onschuldig waren. Prachtig, dacht ik toen al, maar toch vervelend als ik nou net die ene moorddadige poliep onder mijn leden heb.

Ook waren er lezers die mij probeerden gerust te stellen met de mededeling dat ik me altijd nog kon terugtrekken als ik na de eerste test van mijn ontlasting werd opgeroepen voor nader onderzoek. Daar kon ik me weinig bij voorstellen: een ongunstig uitgevallen test negeren? Ik zou steeds moeten denken aan die ene poliep die zich dan misschien grijnslachend verder in mijn darmwand vastbeet.

Andere, meer praktisch ingestelde, lezers volstonden met technische aanwijzingen voor het verzamelen van de te onderzoeken ontlasting. (Ik merk dat ik door al dit gedoe een steeds grotere, bijna archaïsche, hekel aan het woord poep heb gekregen.) Die ontlasting mag immers niet in aanraking komen met urine of water. Hoe doe je dat?

„Ik heb gewoon een dinerbord in het toilet geplaatst”, schreef een openhartige lezeres mij, „zodat mijn uitwerpselen niet in het gat van de wc konden verdwijnen en er geen water bij kon komen.” Zij voegde eraan toe dat de uitslag gunstig was geweest, reden om haar vriendinnen te trakteren. „Toch niet van datzelfde dinerbord”, informeerde ik nog, maar zij kon mij geruststellen. Hoe ik het zelf heb opgelost, zal ik discreet in het midden laten, wetend dat veel NRC-lezers hun krant kort voor of na – en sommigen zelfs tijdens – het avondmaal lezen.

Ik volsta met de mededeling dat ik mijn taak nauwgezet heb uitgevoerd. Met het in een zilverkleurige retourenvelop vervatte resultaat ben ik naar de brievenbus gelopen, bijna trots, hoewel ik blij was dat ik onderweg geen nieuwsgierige buurman („Boodschapje doen?”) tegenkwam.

Binnen een week kreeg ik de uitslag. Ik deed met gespeelde nonchalance alsof ik een reclamebrief opende, maar merkte dat mijn darmen zich aangesproken voelden. „Wat is de uitslag?”, las ik. Het antwoord volgde zonder omhaal: „De uitslag is gunstig.” Vervolgens: „Het bevolkingsonderzoek is een momentopname en biedt geen volledige zekerheid. Er is een kleine kans dat u toch darmkanker heeft of kunt krijgen. U krijgt elke 2 jaar een uitnodiging voor het bevolkingsonderzoek.”

Toch een kleine kans – hoorde ik daar die kritische artsen lachen?

    • Frits Abrahams