Vrouwen op een bezemsteel

Het Catharijneconvent toont heksen in de kunst; van onschuldige figuurtjes tot woeste duivelaanbidsters.

Jacobus bij de tovenaar, Pieter Bruegel, 1565.Bruegel creëerde een heksbeeld dat vaak werd nagevolgd. Beeld Rijksmuseum Amsterdam.

Bij de kwalijke activiteiten van heksen kan iedereen zich een voorstelling maken. Maar zo’n toverkol daadwerkelijk betrappen bij het mengen van een gifdrank, het prevelen van een vervloeking of het rondvliegen op een bezem is een andere zaak. Tot ver in de zestiende eeuw hebben kunstenaars er dan ook moeite mee gehad heksen op een herkenbare manier in beeld te brengen.

Hoe er eerst werd gezocht naar een vaste vorm, hoe die omstreeks 1565 werd gevonden, en hoe die tot lang daarna het beeld is blijven bepalen, toont een expositie die zaterdag opent in het Catharijneconvent.

Heksen (de term wordt pas na 1600 gebruikt) stonden sinds de late Middeleeuwen sterk in de belangstelling. Onverklaarbare gebeurtenissen en calamiteiten werden vaak toegeschreven aan toverij of duivelaanroeping, waarna heksenprocessen konden leiden tot foltering en executie. Werden ze afgebeeld, in handschriftilluminaties of nieuwsprenten, dan vaak tijdens de terechtstelling, of verwikkeld in een heksensabbat waarin ze een geitenbok vereren of een duivel de kont kussen. Verrassend onschuldig lijken figuurtjes in de marge van een manuscript uit 1451: twee, zo te zien goedgemutste vrouwen vliegend op een bezemsteel, een vervoermiddel dat populair is gebleven tot in het twintigste-eeuwse Zweinstein.

Omstreeks 1560 groeide de angst voor duivelse complotten door een klimaatverandering in Europa. Voor het extreem koude en natte weer tijdens deze ‘kleine ijstijd’, met mislukte oogsten en overstromingen, werd in hekserij een zondebok gezocht. Niet toevallig kwam de gewiekste Antwerpse uitgever Hiëronymus Cock juist in die jaren met het plan twee heksenprenten te laten ontwerpen door Pieter Bruegel de oude (ca. 1525-1569). Afnemers van uitgaven van Cock behoorden tot een stedelijke elite van kooplui, geestelijken en geleerden. Bruegels prenten (uitgegeven in 1565) kwamen aan hun erudiete smaak tegemoet: hij heeft zich zonder twijfel laten adviseren door iemand die op de hoogte was van de complexe demonologie van zijn tijd.

De ingewikkelde voorstellingen tonen de heilige Jacobus als duivelverdrijver. Hij richt zich tot een pandemonium van mismaakte wezens met dierenkoppen, naakte vrouwen die op bokken, zwijnen en draken door de lucht rijden of die met verwilderde haardos in een grote ketel storm en een hagelbui brouwen. In de schouw pruttelt een ketel waarboven nog net een heks zichtbaar is die per bezem het pand door de schoorsteen verlaat. Daarnaast zijn er zijn padden, katten, een magische cirkel en andere attributen die nog altijd met toverij worden geassocieerd. Pieter Bruegel creëerde een omvattend heksbeeld waaruit kunstenaars nog eeuwen zouden putten.

    • Bram de Klerck