Column

Verdrongen lot

Wat ik graag mag lezen: bondige boeken van goede fictieschrijvers over een autobiografische ervaring die kennelijk niet geschikt was om in een roman of kort verhaal te verwerken. Ik denk aan dunne boeken als In de duisternis van William Styron over zijn depressies en Een zachte dood van Simone de Beauvoir over haar stervende moeder. Er is nu weer zo’n boekje verschenen: Een verlate reis door Daan Heerma van Voss.

In zestig pagina’s geeft hij een indringende schets van het leven van een mij vrijwel onbekende man: Daan de Jong. Ik had hem, herinnerde ik me met moeite, in een tv-documentaire gezien en ik wist dat hij een neef was van Loe de Jong, de oorlogshistoricus – maar dat was alles. Als ik de vorig jaar uitgekomen biografie van Boudewijn Smits over Loe de Jong had gelezen, zou ik meer hebben geweten, want daarin komt Daan herhaaldelijk voor.

Daan was de zoon van Sally de Jong, de tweelingbroer van Loe, die op 31 mei 1945 in Buchenwald stierf na een gevangenschap in Auschwitz. Sally had nóg een zoon: Abel, twee jaar ouder dan Daan. De twee jongens kwamen, gescheiden van elkaar, in de onderduik terecht toen hun ouders – Sally en zijn vrouw Liesje – door de nazi’s werden opgepakt; Loe wist in 1940 naar Engeland te vluchten.

„Toen Loe terugkwam”, schrijft Daan Heerma van Voss, „hadden van de De Jongs verder alleen Daan en Abel de oorlog overleefd. Maar de perfecte broer bleef Loe achtervolgen. Sally dook op in het straatbeeld, in dromen. Loe vocht ertegen, en zou dat gevecht nooit staken. Hoe moest Loe omgaan met deze twee jongens, met deze levende herinneringen aan een lot dat hij het liefst verdrong?”

Het zou Loe nooit goed lukken. Dat maakt Heerma van Voss pijnlijk duidelijk, zoals Simonka de Jong, kleinkind van Loe, dat in 2011 had gedaan in de NTR-documentaire Het zwijgen van Loe de Jong. De Jong kon het niet opbrengen met zijn neven over de oorlog en hun vermoorde familieleden te praten. „Loe, de eenkennige”, sprak Daan de Jong in 2009 bij een familiereünie aan zijn graf, „zweeg de familie dood en zweeg vooral ook zijn broer dood.”

Loe hield zelfs persoonlijke papieren van Sally en Liesje voor zijn neven achter. Naar zijn motieven valt slechts te gissen. Was het jaloezie jegens een populairdere broer, was het onverwerkt verdriet of het schuldgevoel van de overlever – of een combinatie van dergelijke factoren?

Heerma van Voss laat zien dat ook Daan de Jong niet over de oorlog wilde praten. Hij kende Daan goed, was naar hem vernoemd omdat Daan een oude studievriend van zijn vader Arend Jan was. Daan de Jong werd een huisvriend. „Hij oordeelde nooit over me”, schrijft Heerma van Voss. „Vergissingen, fiasco’s en drama’s (…) besprak ik daarom liever met hem dan met mijn ouders.”

Heerma van Voss stelt Daan de Jong voor samen Auschwitz te bezoeken. De Jong stemt toe, maar Heerma van Voss stelt het te lang uit – in februari 2014 sterft De Jong. Heerma van Voss besluit de reis alsnog te maken, samen met Frieda Mulisch, de dochter van de schrijver, die hem wil interviewen.

In zijn boekje vervlecht hij zijn navrante reisimpressies met zijn herinneringen aan Daan de Jong. Dat werkt goed, ook al maakten de gedeelten over Daan op mij de meeste indruk; misschien omdat hij net als zijn oom Loe overkomt als één poreus brok verdriet.