Het plaatje moet lekker zijn. Erotisch

Casting director Hans Kemna verzamelt foto’s zoals hij vroeger mensen verzamelde. „Ik kijk naar het uiterlijk. Ik moet op een foto vallen.” De lievelingswerken uit zijn grote verzameling zijn te zien op Unseen.

De serveerster met „schitterende Halina Reijn-benen” brengt hem net een kopje koffie. Hans Kemna (75) zit aan een tafeltje in de tuin van buitenplaats Frankendael in Amsterdam. Pet, sjaaltje, zonnebril over zijn gewone bril geschoven, in zijn hand een half opgerookte sigaret. Hij leunt achterover en begint meteen te praten. Gezéllig. Hij was een uurtje eerder gekomen, met de tram, lijn 9, twintig minuutjes vanaf de Dam, daar woont hij één minuutje vandaan, en dan ben je er al. Dat kwam, vanochtend was hij ineens zenuwachtig geworden. Liep hij door zijn huis, normaal hangt dat dus van onder tot boven vol met foto’s, maar nu is een deel daarvan weg.

Voor de jaarlijkse fotografiebeurs Unseen, dit weekend, komen galeriehouders van over de hele wereld naar Amsterdam om werk van bekende en onbekende fotografen te laten zien. Hans Kemna, bekend én fervent fotoverzamelaar, is voor de gelegenheid gevraagd zijn lievelingswerken te laten zien. Tot half november worden die tentoongesteld in Frankendael. En zijn de muren bij hem thuis leeg. „Helemaal niet erg”, zegt hij. Hij heeft „toch veel te veel”. Nu kan hij eindelijk eens ophangen wat normaliter staat opgestapeld langs de plinten.

Drie maanden lang dus hangen de foto’s niet bij hem, maar hier. Hij wijst nu naar het achttiende-eeuwse landhuis dat bij de tuin hoort. Daar, in de zalen boven restaurant Merkelbach, komen die foto’s te hangen. En dat is natuurlijk enig, heel eervol ook dat ze hem daarvoor vroegen, maar nu de openingsdag nadert – 20 september, laten we bidden dat het dan óók zulk schitterend weer is – sloeg ineens de paniek toe. Want wat moest waar komen te hangen?

Hij schenkt een glaasje water in voor ons allebei. Hij is inmiddels helemaal gerustgesteld, zegt hij. Het Stedelijk Museum stuurt twee ophangers, of hoe je die jongens ook noemt, om de zalen perfect in te richten. En curator Xander Karskens van Museum De Hallen in Haarlem heeft hem geholpen knopen door te hakken.

Beslissing nummer één: van Wolfgang Tillmans, de Duitse fotograaf van wie hij wel vijftig, zestig werken bezit – „de allergrootste verzameling ter wereld” – koos hij niets. „Wolfgang, ik ken hem al jaren, wil dan exact weten wat ik van hem laat zien en waar het komt te hangen en dan moet er een assistent van hem overkomen om daarover mee te beslissen. Ajakkes, nee hoor.”

Het moet een kleine, niet-pretentieuze tentoonstelling worden met werk van alleen Nederlandse fotografen. Rineke Dijkstra, Celine van Balen, Koos Breukel, Carla van de Puttelaar, Jasper Groen. Géén Anton Corbijn – dat was beslissing nummer twee – want zijn werk heeft net maandenlang in Den Haag gehangen.

Hij heeft, zegt hij, een keurige selectie gemaakt. Alles in het nette. Geen piemels, geen naakte torso’s, en genoeg foto’s van vrouwen en leuke meisjes. Hij glundert: „Ik zeg tegen iedereen: neem alsjeblieft je kinderen mee.”

Vroeger, toen hij nog volop als casting director werkte, hing zijn kantoor vol mannelijk bloot. Als er dan kinderen kwamen die hij moest casten – „kaasten”, zegt hij – wilde zijn secretaresse dat hij de blootste foto’s weghaalde. „Daar ben ik mee opgehouden. De grap is: kinderen keken er niet van op. Hooguit waren er wat moeders die er aanstoot aan namen.”

Iets met libido

Hij denkt hardop na. Hoe noemde Xander zijn verzameling ook alweer? O ja: libidineus. „Weet jij wat dat betekent? Zal wel iets met libido te maken hebben.” En, zegt hij, dat klopt ook precies. Hij moet op een foto vallen. Het plaatje moet lekker zijn. Erotisch. Meestal staan er mensen op, mannen, vrouwen, maakt niet uit. Soms kan een „stille foto” hem ook grijpen: een lege huiskamer, een straat, een plek in de natuur. „Maar altijd kun je in het lege beeld de menselijke aanwezigheid voelen.”

Hij kan zich exact herinneren wanneer hij voor het eerst dat soort gevoelens kreeg bij fotografie. Het fotoboek Wij zijn 17 van Johan van der Keuken. Zelf was hij toen 16, woonde in Rotterdam, als jongste zoon van leuke, hardwerkende ouders. En daarna, toen hij voor acteur studeerde en in Amsterdam woonde, kreeg hij het boek: Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés van Ed van der Elsken. Schit-te-rend.

De menukaart schuift hij terzijde. Hij wijst naar het tafeltje naast ons. Wat zij daar hadden, dat zag er zo lekker uit, dat wil hij ook. Een gegratineerde tosti. Met datzelfde libidineuze gevoel, zegt hij, kiest hij ook altijd zijn acteurs. „Ik val op hun uiterlijk. Ik moet ze aantrekkelijk vinden. Lekker.” En ze moeten kunnen acteren, dat ook natuurlijk. Aantrekkelijk is niet hetzelfde als mooi of perfect. „Een hazenlip kan ook schitterend zijn.”

Vrienden van eigen leeftijd

Die acteurs verzamelt hij om zich heen. „Ze zijn mijn kinderen. Ze omringen me. Ik leef met ze.” Ik heb, zegt hij daarna, nauwelijks vrienden van mijn eigen leeftijd. Behalve Adrian natuurlijk. Adrian Brine, Brits toneelregisseur. Met hem is hij al bijna vijftig jaar. „Hij is bijna tachtig, maar al wekenlang stapt hij elke dinsdag op de Thalys naar België om daar te repeteren met een groep acteurs.” Snelle blik op zijn iPhone voor hem op tafel. „We bellen en sms’en drie keer per dag.”

Nou wil ik zijn feestje niet verpesten, en het is dat hij er zelf over begint, over leeftijd. Maar het nadeel van verzamelen is toch wel dat je tegen de tijd dat je een flinke collectie bij elkaar hebt, je al moet gaan nadenken over wat je er na je dood mee wilt. Ja, zegt hij. „Daar zit ik ook wel mee.” Mensen zeggen tegen hem: doe toch weg die foto’s. „Maar wat als ik het aan een museum geef? Dan komt het in een depot. Heeft niemand er wat aan.”

Een tijdje terug hield hij een verkooptentoonstelling, omdat het bij hem thuis wel erg vol werd. „Er bleven een paar werken onverkocht. Eentje, van Jan Fabre, vond Hans Kesting, een goede vriend van mij, heel prachtig. Toen heb ik hem die gegeven.” Waarom heeft Hans Kesting die dan niet gekocht? Vinnig: „Hij is acteur, schat. Die hebben nooit geld.” Maar wat hij zeggen wilde: nu hangt die foto bij Hans Kesting thuis en als hij daar op bezoek gaat, ziet hij hem weer en zo genieten ze er allebei van. Hij heeft nu besloten dat als heel goede vrienden op een van zijn foto’s vallen, dat ze die dan nu alvast van hem krijgen en niet straks, als hij dood is.

Verzamelen, zegt hij, is een verslaving en een ziekte. „Je wordt hebberig.” Hij heeft wel dingen gekocht waarvan hij later dacht: waarom? Nee, hij gaat niet zeggen van welke fotograaf. „Ik let altijd wel op de prijs.” De foto’s van Wolfgang Tillmans – van wie hij er zoveel heeft – kocht hij in de tijd dat die nog betaalbaar waren. Nu kost een beetje knappe foto zomaar 60.000 euro. „Veilingen vind ik heel eng. Vinger opsteken, een knikje. Ik durf dat niet, dat moet iemand anders voor me doen.” Nooit gaat hij voorbij de prijs die hij vooraf in zijn hoofd heeft. „Als mijn hoogste bod 10.000 is en een ander biedt 100 meer, dan zeg ik: nee.” Zit hij dus echt niet mee.

Die verzamelwoede, heeft hij die alleen met foto’s? „Kauwgomplaatjes, filmsterrenplaatjes, alle stripboeken van Kuifje.” Nu hij het erover heeft: zijn moeder, met wie hij een zeer diepe band had, bewaarde zijn strips op de vliering van hun huis. In een doos. Die heeft ze dus buiten gezet. Bij het vuilnis. Was nu een fortuin waard geweest.

Best goed geboerd

Net zei hij dat hij tegenwoordig af en toe een foto weggeeft. Betekent dat dat zijn verzamelwoede is geluwd? „Het wordt minder. Ik koop minder. Ik heb ook minder geld dan vroeger.” Hij heeft best goed geboerd als casting director, maar sparen heeft hij nooit gedaan, logisch, want hij verzamelde. Geen seconde spijt heeft hij ervan. Adrian en hij hebben nu wel hun huisje in Turkije in de verkoop staan, ze komen er al zeker veertig jaar. Als dat wat oplevert, en dat verwacht hij zeker, dan hebben ze weer even wat ruimte.

In een opwelling heeft hij zich laatst ingeschreven bij de Makroon. Ken ik dat niet? Dat nieuwe centrum voor ouden van dagen vlakbij het Nieuwe DeLaMar-theater. Het houdt hem toch bezig, de ouderdom die dichterbij komt. Voor zijn zeventigste verjaardag heeft hij van zijn vrienden een reservering op Zorgvlied gevraagd. De begraafplaats aan de Amstel. Afijn, hij heeft zich direct weer uitgeschreven bij de Makroon. „Ik ben er wezen kijken en het voelt toch te veel als een crematorium.”

Dus nu heeft hij het volgende bedacht: hij blijft wonen waar hij woont. Het is toch de begane grond. En als hij mankementen gaat vertonen – hij klopt het snel af op het tafelblad – en hij, of Adrian, heeft hulp nodig, dan kan hij altijd alsnog besluiten zijn verzameling te verkopen.

Hij heeft zoiets al eens besproken met een vriendin van hem die werkt bij veilinghuis Christie’s. Zo’n Kemna-collectie is misschien niet world wide known en hij weet ook wel dat er veel grotere verzamelaars zijn dan hij, maar het zal toch behoorlijk wat opbrengen. „Die vriendin zegt: ik wil het dolgraag hebben. Ze verkoopt het zo voor me. Maar, zegt ze: doe het voorlopig nog maar even niet. Je zult je foto’s zo verschrikkelijk missen.”