Het hangt net af van de toon

Hoe lees je een gedicht? Ellen Deckwitz geeft iedere donderdag een cursus in nrc.next. Vandaag: het voordragen van gedichten.

Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Geef me een vuur en ik durf er mijn hand in te steken. Waarvoor? Dat de gemiddelde Nederlander meer gedichten hoort, dan leest. Overal klinken de dichters : bij festivals, in theaters, op televisie. Waar poëziebundels bijna altijd in de ramsj belanden, verdienen hun geestelijk ouders goud geld met optreden. Je zou haast in de verleiding komen om gesproken gedichten te vergelijken met geschreven poëzie, maar helaas, dat is meerkoeten met kikkers vergelijken. Beide zijn mooi en het waard om van te houden, maar ze verschillen zoveel van elkaar dat een vergelijking nergens op uitloopt.

Want het lezen van een gedicht sorteert totaal andere effecten dan het beluisteren van poëzie. Bij een voordracht kan je saaie of ingewikkelde passages niet overslaan. Je kan niet terugbladeren als je het niet goed hebt verstaan. De enjambementen krijg je nauwelijks mee. Je bent overgeleverd aan de voorlezer, diens spreektempo, diens stem, en wat hij met de tekst doet.

Het is net als met covers van popsongs

Neem nou het begin van dat beroemde liefdesgedicht van Herman Gorter: ‘Zie je, ik hou van je / ik vin je zoo lief en zoo licht --/ je ogen zijn zoo vol licht / ik hou van je, ik hou van je’. Zo op papier valt er wel chocolade van te maken. Maar stel je voor dat deze regels door Maarten van Rossem worden voorgelezen. Dat sorteert een ander effect dan wanneer de tekst wordt gedeclameerd door Bart Chabot na een fles Fanta. Niet alleen de stem en het spreektempo van de voordrager spelen mee, maar ook hoe de persoon in kwestie eruitziet. Neem het mooie gedicht van Rosa Schogt hiernaast. Het speelt heel slim met tekst, spel en oprechtheid. Als het zou worden voorgelezen door een natgeregende clown, ontstaat er een andere lading dan wanneer een dame in Cora Kempermankledij het gedicht zou uitspreken. De toon, snelheid en sfeer die de voordrager aan de tekst toevoegt, zorgt voor uiteenlopende resultaten. Het laat zich vergelijken met het coveren van bekende popsongs. Wie de bewerking van Celine Dions ‘My heart will go on’ door punkbank New Found Glory beluistert, weet wat ik bedoel. We zien Leonardo DiCaprio dan niet meer wegzinken in de deprimerende diepten van de poolzee, maar vrolijk een pitt bouwen met zijn mede-ondergelopenen.

Meestal is degene die het gedicht heeft geschreven, ook degene die het gedicht voordraagt. En gelukkig kunnen de meeste dichters redelijk voorlezen, met een paar hele prettige uitschieters. Ik vond het altijd prachtig als Simon Vinkenoog het podium weer eens werd opgetakeld om zijn gedachte ‘Ja’ te declameren. Dan zag je hem bejaard, fragiel en bijzonder onder invloed de volgende regels uitjuichen: „Ja! Tegen de getuigenis der voorouders… Ja! Tegen het onderdak en de binnenruimte! Ja! Tegen het noodvol einde!” Hierbij speelde ook het live aanwezig zijn een grote rol. Het hele publiek werd opgezweept door die kleine oude man op dat podium. Het was alsof hij iedereen persoonlijk aansprak. Na afloop had het hele publiek het gevoel dat de tekst over hem- of haarzelf ging. Het was voordracht op het scherpst van de snede.

Wedstrijdje in voordragen

Zo’n zelfde ervaring heb ik vaak bij een poetry slam. Een slam is een wedstrijd in het voordragen van gedichten, waarbij het publiek en een vakjury bepalen wie er wint. Het niveau loopt op dat soort podia behoorlijk uiteen, maar op een goede avond heb je minstens één semi-religieuze ervaring. De dichters die optreden, staan op scherp, want ze weten dat ze worden beoordeeld. Ze hebben hun beste werk meegenomen en doen alles om het publiek voor zich te winnen. Slam is een van de plekken waar een dichter boven zichzelf uit kan stijgen.

Een andere plek waar dat bijna al-tijd gebeurt, is de Nacht van de Poëzie, die aanstaande zaterdag in TivoliVredenburg wordt gehouden. Remco Campert bracht afgelopen jaar met zijn krachtige en tegelijkertijd kwetsbare voordracht de zaal tot tranen. Dit jaar zullen er zaterdag eveneens voordrachtskanonnen staan, zoals Ilja Leonard Pfeiffer, K.Schippers en Jules Deelder. En ook grote talenten zoals de Vlaamse Charlotte van den Broeck, die je hypnotiseert terwijl ze haar prachtige, mysterieuze verzen uitspreekt: „Waar we met happende vissenmond /eczeemkringen in elkaars huid kusten / de kringen hebben we aangezet met stift.” Niet te missen is ook de Nijmeegse dichter Dennis Gaens, die met zijn opzwepende dictie ook dit jaar ongetwijfeld de zaal mee zal krijgen, tot iedereen zijn evergreen “Alles is Fabriek!” meeroept.

Na een mooie poëzieavond moet ik altijd denken aan de Amerikaanse dichter Bob Holman. Hij zei dat een goed voorgelezen gedicht een cadeau is. Een geschenk van het moment. De ene avond is de andere niet. Soms heb je als publiek een rothumeur, soms heb je als dichter geen zin. En toch gebeurt er altijd iets wanneer je voordraagt. Er ontstaat een contact, dat je op geen enkele andere wijze met iemand kan hebben. Je leert iets over jezelf en de mensen om je heen. En het leert je iets over gedichten. Het kan op papier moeilijke poëzie opeens toegankelijk maken, en ogenschijnlijk heldere gedichten opeens prachtig mysterieus. Waar woord en podium elkaar ontmoeten, kan er iets magisch gebeuren. Het creëert een intense, tijdelijke band, die de omvang van de hele wereld heeft.