Column

Bij Lobith het land in

Dus ik naar de oostgrens om de vluchtelingen op te vangen. Toen staatssecretaris Dijkhoff besloot de grenzen beter te bewaken, vroeg ik me af: hébben we dan nog wel grenzen? Ik ging naar Lobith – ‘waar de Rijn Nederland instroomt’ en ‘waar de Batavieren het land binnenkwamen’. In Lobith hádden ze een grens.

De Grenswinkel herinnert daar nog aan. Een soort campingwinkel aan de Eltenseweg, voorbij het viaduct van de A12, midden in het weiland, volgestouwd met levensmiddelen waar in Duitsland hogere belasting op wordt geheven: Arabica-koffie, schepsnoep, blikjes drinken, en medicijnen. Op het parkeerplaatsje voor de deur staan permanent auto’s met Duits kenteken. „Immer günstig”, staat op een bord voor de deur.

Geen vluchteling te zien. Wel bij het tankstation aan de A12 een paar kilometer verderop. Daar herkent men auto’s met veel passagiers en beslagen ruiten.

Eigenaar Pascal Mulder van de Grenswinkel haalt zijn mondharmonica tevoorschijn om een blues te spelen. Zijn vader was de winkel begonnen toen buurdorp Elten in 1963 met een grenscorrectie aan Duitsland werd toegevoegd. Verderop herinnert een douanekantoor nog aan die tijd. „Auto’s vol met onze koffie verstopt in honingpotten”, weet Pascal Mulder nog.

Mulder noemt zichzelf een ‘grenslander’ en daarmee bedoelt hij dat hij open staat voor het vreemde en niet alleen uit economische motieven. „We kwamen vroeger al vaak in Duitsland. Ik voetbalde in een Duits team. Als we uit moesten tegen Lobith, riepen de Nederlanders langs de lijn: ‘Schop ze neer die moffen’. ‘Doe ’s normaal’, riep ik dan. ‘Je kent ze niet’.” Hij vindt de Nederlanders in de grensstreek „weinig verdraagzaam”.

In 1992 werden de binnengrenzen in de Europese Unie opgeheven, dus ook die bij Lobith en Tolkamer, die nu samen met vier andere dorpen gemeente Rijnwaarden heten. De dorpen waren afhankelijk van de scheepvaart. Schepen legden aan in Tolkamer om hun waren aan te geven. Om het tolhuis stonden dertien cafés, drie slagers, bakkers, een schoenwinkel, expeditiekantoren, douanedeclaranten. Parlevinkers, varende winkeltjes, bedienden de schepen. Van die bedrijvigheid is nog een enkele winkel over. Van de plaatselijke beroepsbevolking verloor 30 tot 40 procent zijn baan.

Lobith heeft met het verdwijnen van de grens zijn betekenis verloren. Wat rest is een arme, achterdochtige gemeenschap, verklaren Lisa Steneker en Rob Hendriksen, buitenstaanders die zich in Lobith om de opvang van vluchtelingen bekommeren. Het inkomen per hoofd van de bevolking ligt onder het landelijk gemiddelde. In het dorpshuis liggen foldertjes over laaggeletterdheid. „Ze zijn eilanders”, zegt Hendriksen. „Ingeklemd tussen de Rijn en de Oude Waal. Ze schermen zich af, schamen zich snel.”

In Rijnwaarden wonen een kleine honderd vluchtelingen, zoals de familie van Abdirachid Muse, net uit Somalië overgekomen. Hij heeft vooral last van de buurtbus waar maar acht passagiers in kunnen, terwijl zijn gezin negen leden telt.

Volgend jaar komen er ten minste 23 nieuwe bij, vooral Syriërs. Het is moeilijk om vrijwilligers te vinden, zegt Lisa Steneker. „Moeilijker dan in de andere drie gemeenten waar ik werkte.” Pas geleden was een vrouw uit het dorp geslagen. Door Somaliërs, hoorde Steneker van de vrijwilligers. Bij navraag bleek dat Nederlandse buren de vrouw hadden belaagd en dat ze juist door een Somalisch echtpaar was geholpen. „Dat iemand de feiten verdraait, kan gebeuren”, zegt Steneker. „Wat erg is: dat iedereen het meteen geloofde.”