Altijd op zoek naar nieuwe landschappen

Awoiska van der Molen geldt als een van de grote talenten op Unseen. Een landschap is voor haar een plek waar ze zich afzondert, om er dan langzaam in binnen te dringen. „Het is belangrijk dat ik mij verloren voel.”

Overal in het atelier van Awoiska van der Molen (43) staan wasdroogrekjes met kleine afdrukken. Van bossen, bergen, eilandjes. In zwart-wit, mysterieus, verstild. Tegen de wand staan metersgrote afdrukken van haar landschappen. Drie weken voor Unseen begint is ze hier in haar werkruimte, een half klaslokaal in een voormalige mts in Amsterdam-West, nog aan het selecteren welk nieuw werk ze wil laten zien. Ze is ervoor naar Japan, Spanje en de Alpen geweest. „Ik hang ze door elkaar, je hoeft niet direct te zien in welk land ze gemaakt zijn”, zegt ze.

Van der Molen geldt als een van de grote talenten die te zien zijn op Unseen. Vorig jaar won ze de Japanse Hariban Prijs. Haar boek Sequester werd door The Guardian uitgeroepen tot fotoboek van het jaar. Het laat 24 foto’s van verstilde wouden en berglandschappen zien. Donkere foto’s waarin details oplichten, van menselijke aanwezigheid is er niets te zien. „Sommige mensen denken dat ik alleen ’s nachts fotografeer, maar dat is echt niet zo.”

Voor ze over haar foto’s begint te vertellen pakt Van der Molen haar smartphone en toont ze een jeugdfoto. Een meisje van een jaar of vier zit op haar hurken, naast een rots in hoog gras. „Een paar weken geleden vond ik deze foto weer. Die laat alles al zien waar ik later naar op zoek ben gegaan”, zegt ze. „Ik ben een kind van hippieouders. Wij gingen altijd wildkamperen. Naar de bergen. Dat zit in de familie. Mijn grootvader heeft in de Harz een hartaanval in de sneeuw gekregen. Ik kan me bijna geen mooiere dood voorstellen.”

Even eerder heeft ze gezegd dat ze het lastig vindt om over haar fotografie te vertellen. Bang om in clichés en vaagheden te vervallen die haar foto’s geen recht doen. Ze heeft foto’s en boeken klaargelegd om haar woorden te illustreren. Ze pakt een boek waarvan de kaft beduimeld is. Ten Oosten van de Zon, Ten Westen van de Maan, is de titel van het Noors sprookjesboek met illustraties in art-nouveaustijl van Kaj Nielsen. Op de achterkant zit een vrouw op haar knieën in een woud naast een rots. „Ik werd door die afbeelding gegrepen toen ik een jaar of twintig was. Dat beeld van mezelf als meisje moet zich in mij vastgezet hebben. Ik heb dat ervaren als een plek waar het goed was. Ik ben eigenlijk altijd op zoek naar wouden, naar weer nieuwe landschappen.”

Ze wilde eigenlijk geen kunstenaar worden, vertelt ze. „Mijn moeder en mijn opa waren allebei schilders. Ik wilde juist iets heel anders doen.” Ze ging een architectuuropleiding doen. „Ik vond dat het eerste jaar al niks. Maar ik ben een doorzetter, ik heb het drie jaar volgehouden.”

Toch naar de kunstacademie

Daarna nam ze een rustjaar en deed ze in een wijkcentrum een fotocursus. „Ik ontdekte dat ik in fotografie beter mijn gevoel kwijt kon. Ik ging experimenteren.” Ze ging toch naar kunstacademies. Eerst Minerva in Groningen, daarna Sint Joost in Breda. „Het klinkt plat, maar in Breda was een leraar die heel indringend de vraag stelde wat mij fascineerde. Die vraag ben ik me daarna blijven stellen. Via allerlei onderwerpen heb ik greep gekregen op dat waar ik naar verlangde.”

Tijdens haar opleiding maakte ze nog portretten. Van plattelandsjongeren in Noordoost-Groningen, van vrouwen in New York, van Duitse werklieden die een zeventiende-eeuws schip restaureerden. „Bij die New Yorkse vrouwen begon ik me af te vragen waarom ik deze mensen eigenlijk wilde portretteren. Wat zei dat nu over mij? Het fotograferen van die Duitsers was een cruciaal moment. Zij liepen gewoon mijn studiootje in een houten keet binnen, gingen zitten en het maakte ze helemaal niet uit hoe ze op de foto kwamen. ‘Zonder ijdelheid, stoïcijns, niet aangeraakt door de camera’, schreef ik na afloop in mijn dagboekje.”

Ze besloot met portretten te stoppen en ging stadsgezichten fotograferen. Ze haalt een doos van een tussenverdieping, haar opslag. Op de stadsgezichten komen nauwelijks mensen voor. „Deze beelden zijn te filmisch. Ik was er destijds niet trots op. Slechts één is er toen in mijn hoofd blijven rondtollen.” Ze wijst op een foto die tegen de wand staat: een vervallen huis achter een ruwe schutting. Op de voorgrond vraagt een afgrond van zwarte aarde om de aandacht. „Dit is een sleutelwerk. Die zwarte aarde is een jaar door mijn hoofd blijven dansen. Toen viel het kwartje. Dat ik landschappen moest gaan fotograferen. Dat ik op zoek moest naar die zwarte aarde.”

Op zoek naar de stilte, noemt ze het. „Ik wist dat ik weg moest uit Nederland. Er zijn hier te veel prikkels voor mij, er is te veel herrie.” Ze ging eerst naar Sicilië. „Met mijn auto naar Palermo en dan oversteken. Doel: de Stromboli. Maar ik had me niet voorbereid en wist niet dat je alleen met een gids de vulkaan mocht beklimmen. Dus moest ik met een groepje toeristen mee. Dat was het niet.”

De stilte zoeken

Ze vertrok in de winter naar Noorwegen. „Daar was het alleen maar nacht. Ik dacht dat het heel praktisch was, omdat ik daar hele dagen zou kunnen werken. Maar ik kwam erachter dat het heel veel met je doet. Pas daarna ontdekte ik dat het niet donker hoeft te zijn om de stilte te zoeken.”

Ze gaat er vaak drie weken op uit en zoekt dan volledige afzondering. Ze slaapt in haar eigen auto en mijdt contact met andere mensen. „Ik ga niet uit eten, ik kook mijn eigen maaltijden op een primusbrandertje.” Ze maakt lange wandelingen door het gebied. „Als je langere tijd alleen maar met het landschap bezig bent, ver weg van alle dagelijkse rompslomp, dan gebeurt er iets met je. Het is meditatief, de ontmoeting met het landschap is ook een ontmoeting met jezelf. Het kan zijn dat ik een dag mijn camera niet eens uit de tas haal. Dat ik heel lang rondloop zonder een plek te vinden die goed voelt. Het is belangrijk dat ik mij verloren voel.”

Ze pakt een foto van een berglandschap, een weids uitzicht met meerdere pieken. Haar lange slanke handen zweven langs het silhouet van de bergen. „Je kunt er bijna fluweel of een stuk hout in zien. Maar toch zal ik ze zo nooit meer maken. Een foto als deze is inwisselbaar met die van andere fotografen. Ze roeren mij ook niet. Het is te weids. Ik trap er niet meer in. Het landschap ligt daar wel mooi te zijn, maar ik wil erin. Voor mij is een landschap een territorium waar het hard werken is om er binnen te dringen.”

In een rugzak draagt ze op haar tochten haar camera mee. Een analoge Mamiya RZ, waar ze al tien jaar mee fotografeert. „Ik heb zelfs geen reservecamera bij me, ik ben zo aan deze gehecht. Dan is het pech als hij kapot gaat. Ik werk niet met een technische camera zoals veel mensen denken. Dan moet ik met mijn hoofd onder een doek, dan is het magische moment weg.” En digitaal? „Nee, dan zou ik direct het resultaat zien! Dat wil ik helemaal niet. Dan wordt mijn concentratie weggehaald bij het landschap en naar dat plaatje getrokken. Ik wil in dat landschap blijven. Het resultaat doet er nog helemaal niet toe.”

Na haar reizen wacht ze vaak een aantal weken voor ze haar films ontwikkelt en afdrukken maakt. „Dan pas is er voor mij een nieuwe werkelijkheid. Als ik direct zou ontwikkelen, is het toch alsof ik digitaal zou werken. Ik wil respect voor het landschap hebben.”

Eerst maakte ze kleine afdrukken op barietpapier. „Zo leer ik wat ik met het negatief kan doen. Ik probeer ze al perfect te maken.” Daarna maakt ze pas haar grote afdrukken. „Ik zit dagen in de doka. Maar ik ben dan weer terug op mezelf, weer terug in het landschap.” Wat ze daar precies in zoekt, weet ze ook niet. „Ik denk niet na over het sublieme, over het goddelijke”, zegt ze. „Misschien zou ik daar meer over moeten lezen. Maar waarom eigenlijk? Ik hoef het niet allemaal te begrijpen.”

    • Daan van Lent