Al die nieuwe banen laten nog op zich wachten

De economie groeit, maar de arbeidsmarkt herstelt traag. De oorzaken zijn deels typisch Nederlands.

Er bestaat een hardnekkig probleem in Nederland, dat het feestje van het kabinet op Prinsjesdag een beetje verstoorde. De economie groeit, en steeds sneller ook, zo kon het kabinet melden op gezag van ramingen van het Centraal Planbureau (CPB). Maar dat is nog nauwelijks zichtbaar in het aantal werklozen, zo blijkt ook uit die CPB-cijfers.

De economie is dit jaar terug op het niveau van voor de crisis, voor de werkloosheid geldt dat nog lang niet. In de Macro Economische Verkenningen voorspelt het CPB dat volgend jaar 605.000 mensen geen baan hebben. In 2008 waren dat er 318.000. De werkloosheid daalt wel „licht”, staat in de CPB-studie, van 6,9 procent dit jaar naar 6,7 procent volgend jaar. Maar het blijft historisch een hoog percentage – in de jaren voor de crisis lag de werkloosheid tussen de 3 en de 6 procent.

„De werkloosheid is nog te hoog. Het aantal banen neemt weliswaar toe, maar te veel mensen kunnen nog geen werk vinden”, zei koning Willem-Alexander in de Troonrede.

Vier oorzaken voor het hoog blijven van de werkloosheid.

1 Arbeidsmarkt loopt achter op de economie

De economische groei is wel fors (volgend jaar 2,4 procent, verwacht het CPB), maar ook nog pril. De groei dateert van halverwege vorig jaar, na de twee opeenvolgende recessies die tussen 2009 en 2013 honderdduizenden mensen hun baan kostten. Tot in het eerste kwartaal van 2014 liep de werkloosheid op.

Bij een verbeterd economisch klimaat kijken bedrijven eerst of ze extra werk kunnen opvangen met het huidige personeel. Dat leidt dit jaar tot 2 procent meer arbeidsproductiviteit (de productie per werknemer). Pas als het personeel volledig is belast, worden nieuwe mensen aangenomen – Het CPB denkt dat de rek er pas in 2016 uit is, hoewel het daarvan niet helemaal zeker is.

Is de taks bereikt, dan huurt de voorzichtige werkgever eerst uitzendkrachten in. Vooral zij droegen de afgelopen vijf kwartalen bij aan de stijging van het aantal banen, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Eerst meer arbeidsproductiviteit, dan meer uitzendkrachten, dan meer reguliere banen. Het is een bekend patroon, maar het herstel gaat wel „trager dan verwacht”, zegt de Tilburgse hoogleraar arbeidsmarkt Ton Wilthagen. „Trager ook dan in andere Europese landen. Je kunt je afvragen of de problemen in Nederland niet structureel zijn.”

2 Flexmarkt biedt geen soelaas

Razendsnelle flexibilisering is typerend voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Het aantal mensen met een vast contract is sinds 2008 met ongeveer 600.000 gedaald, schrijft het CPB. Het aantal flexwerkers steeg in dezelfde periode met 280.000, het aantal zzp’ers met 180.000. Ongeveer 35 procent van de werkende Nederlanders is flexwerker of zzp’er. „Weinig andere landen kennen een dergelijk hoog percentage”, aldus het CPB.

Het verlies aan vaste banen wordt zeer beperkt opgevangen door de nieuwe ‘flexmarkt’. In de „netwerkeconomie van losse projecten en klussen” komen vooral veel jongeren aan het werk, zegt Wilthagen, maar meestal „niet voor een loon dat hen in staat stelt om een appartement te huren of te kopen”. 63.000 meer jongeren hadden deze zomer werk dan in 2014, meldde het CBS onlangs, maar dat zijn hoofdzakelijk banen tot twaalf uur per week. Wilthagen: „Zij verdwijnen uit de werkloosheidsstatistieken, maar willen vast meer werken. In het Engels heeft zoiets underemployment. Het wordt tijd om een Nederlandse term te vinden.”

Veel mensen vinden geen plek op de flexibele arbeidsmarkt. Dat is onder meer te zien aan de fors gestegen langdurige werkloosheid, tot een piek van 289.000 in het eerste kwartaal van dit jaar. Dat is ruim drie keer hoger dan vijf jaar geleden. Ruim de helft van de langdurig werklozen is 45 jaar of ouder. Pas in het tweede kwartaal daalde het aantal mensen dat een jaar of langer zonder werk zit weer een beetje.

3 Meer mensen komen de arbeidsmarkt op

Het aantal beschikbare banen stijgt, dit jaar met 0,5 procent en volgend jaar met 1 procent. Maar ook het aantal werkzoekenden neemt toe. Het zijn vooral vrouwen en vijftigplussers, schrijft het CPB. Beide groepen worden al jaren actiever op de arbeidsmarkt; de vrouwenemancipatie is nog steeds gaande en ouderen moeten door overheidsbeleid langer werken. VUT-regelingen zijn afgebouwd, de AOW-leeftijd is verhoogd en de WW is versoberd. Veel werkloze ouderen en vrouwen die zich tijdens de crisis ‘ontmoedigd’ voelden, zullen zich in 2016 weer als werkzoekenden melden, denkt het CPB.

Voor lang niet alle herintreders zal plek zijn, zegt Wilthagen: „Ouderen zijn vaak niet populair bij werkgevers. Ze zijn duur, zijn vaker ziek en hebben meer behoefte aan vaste contracten. Val je eenmaal uit als oudere, dan kom je ook niet meer terug.” Ook kabinetsbeleid zorgt voor meer werkzoekenden. Werken wordt aantrekkelijker door hogere arbeidskorting en meer subsidie voor kinderopvang.

4 Er zijn minder banen in de zorg en bij de overheid

Door bezuinigingen is er minder werk bij de overheid en in de zorg – de „banenmotoren van voor de crisis”, zegt Wilthagen. De werkgelegenheid in de zorg daalt sinds 2013. Dit is „een van de verklaringen voor het feit dat de werkloosheid langzamer terugloopt dan na eerdere perioden van lage of negatieve groei”, stelt het CPB. Uit CBS-cijfers blijkt dat de afgelopen twee jaar 65.000 banen in de zorg zijn verdwenen. Wilthagen: „Mensen die in de zorg werkten, vaak vrouwen, zien zichzelf niet gauw ergens anders werken. Soms in andere ‘service’-beroepen, zoals de detailhandel. Maar nu winkels verdwijnen door de internethandel, is daar ook niet veel plek”.