‘VOG pakt averechts uit voor zedendader’

Dat veroordeelde zedendelinquenten geen verklaring omtrent het gedrag (VOG) krijgen, werkt in veel gevallen averechts. Dat stelt Jan Hendriks, hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en behandelaar bij de forensische polikliniek De Waag in Den Haag. Uit onderzoek van zijn promovenda Chantal van den Berg onder jonge zedendelinquenten blijkt dat de kans dat ze opnieuw de fout in gaan, duidelijk daalt als ze werk hebben.

Dat werd al langer vermoed, maar uit het onderzoek, onder zo’n vijfhonderd zedendelinquenten, blijkt dat ook echt zo te zijn. Juist een baan vinden wordt veroordeelde zedendelinquenten bemoeilijkt, omdat vaak een VOG is vereist.

„We beschermen de samenleving niet op deze manier, we maken ze juist gevaarlijker”, vindt Hendriks. Volgens hem werkt dit recidive in de hand. Met Van den Berg bepleit hij bij beoordeling van een VOG-aanvraag specifieker te kijken naar de situatie van de veroordeelde. Dat kan door behandelaars te betrekken en gericht te kijken naar de kans dat de dader opnieuw de fout in gaat.

Van den Berg: „Bij het verstrekken van VOG’s wordt nu alleen naar kale delicten gekeken, niet naar de inhoud.” Hendriks: „De overheid gebruikt nu de ‘better safe than sorry’-aanpak. Door te werken met de VOG willen ze alle risico’s uitsluiten. Maar het gaat hier over een schijnveiligheid. Uiteindelijk wordt de samenleving hier niet veiliger van.” (ANP)