Troonrede mondt uit in een ongeïnspireerd verhaal

Voor het eerst sinds zijn aantreden in 2013 kon koning Willem-Alexander gisteren op Prinsjesdag in zijn Troonrede een uitgesproken positieve boodschap uitdragen. Nederland staat er in sociaal-economisch opzicht relatief goed voor en de toekomst kan met vertrouwen tegemoet worden gezien.

Dat is een heel ander geluid dan twee jaar geleden, toen de koning in zijn eerste Troonrede sprak over de al vijf jaar durende crisis waarvan de gevolgen steeds voelbaarder werden. Vorig jaar stelde hij vast dat „ons land voorzichtig weer de weg omhoog” vond. En nu bleek het dan zover. De economische groei was in jaren niet zo hoog, er is geld voor lastenverlichting en nagenoeg iedereen gaat er volgend jaar op vooruit. Dat enkele groepen te maken krijgen met een min is wrang. Vooral als dit in de Troonrede wordt verhuld.

Het succes wordt allemaal niet van de daken geschreeuwd. Terecht. Het zijn niet echt tijden voor een feestje. Met oplaaiende conflicten dichtbij Europa en de aanhoudende stromen vluchtelingen en migranten die hiervan het gevolg zijn, is het optimisme over de Nederlandse prestaties zeer betrekkelijk. Dat voorbehoud had de regering aanzienlijk meer kunnen benadrukken door de Troonrede te beginnen met wat zich aan de randen van ‘ons’ Europa afspeelt.

Nu werd ergens halverwege het verhaal gewezen op de vluchtelingenstroom als probleem dat geen afwachtende houding duldt. Door die terloopsheid werd de urgentie van het vraagstuk – enkele weken geleden door de Duitse bondskanselier Merkel niet ten onrechte aangeduid als een veel grotere uitdaging voor Europa dan de Griekse schuldencrisis – teniet gedaan. Dit verbaast des temeer omdat de koning even later zei dat migratie een hoofdthema is dat het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie dat op 1 januari ingaat zal tekenen. Uit de Troonrede viel in in elk geval niet op te maken dat Nederland klaar staat om in Europa deze crisis met daadkracht aan te pakken.

Hier wreekt zich wederom de ongewone samenstelling van de coalitie die met VVD en PvdA bestaat uit twee politieke antipoden. Dat geldt niet alleen het economisch terrein maar ook het asiel- en migratievraagstuk waarover beide partijen fundamenteel anders denken. Multi-interpretabele compromisteksten houden de boel bij elkaar maar duidelijke richting ontbreekt.

Volgens de politieke kalender zou nu het oogstjaar van het kabinet moeten aanbreken, waarbij de resultaten van impopulaire maatregelen zichtbaar worden. In Haagse termen: het zuur maakt plaats voor het zoet. Dit zou ook tot meer ontspannen regeren moeten leiden, maar vooralsnog blijkt hier weinig van.

Het is bijna drie jaar geleden dat het tweede kabinet Rutte gebaseerd op de steun van VVD en PvdA aantrad. Dit ‘nieuwe paars’ was veel minder voor de hand liggend dan de coalitie van dezelfde kleur die in 1994 werd gevormd en op dat moment voor een trendbreuk zorgde in de Nederlandse politiek.

Het tweede kabinet Rutte is bij uitstek een gelegenheidscombinatie. De ongewone samenstelling heeft het mogelijk gemaakt dat enkele hardnekkige proppen (hypotheekrente aftrek, pensioenleeftijd, hervormingen in de zorg) door de bestuurlijke buis zijn geblazen. Nu dit achter de rug is laat het gebrek aan bindmiddel zich voelen. Waar dat toe leidt bleek gisteren in de Ridderzaal. Een Troonrede die ondanks de mooie rapportcijfers over de economie vooral een ongeïnspireerde indruk maakte.