Spinoza niet meer grote onbekende

Spinoza op een zeventiende-eeuwse gravure ... Bron ANP

Spinoza en Erasmus zijn de beroemdste filosofen uit de Nederlandse geschiedenis. Maar eigenlijk wordt alleen Spinoza door professionele denkers als een echte wijsgeer beschouwd. Hij bouwde in de zeventiende eeuw een systeem dat wereldwijd nog altijd vele denkers inspireert. Maar Spinoza’s gedachtengangen volgen is razend moeilijk. Misschien dat er daarom tot nu toe nooit een film is gemaakt waarin niet alleen zijn leven, maar ook zijn denken aandacht krijgt.

In het docudrama Spinoza: een vrije denker, dat deze week in première gaat, tracht documentairemaker Robin Lutz die twee met elkaar te verbinden. Hij laat Spinoza, gespeeld door Rowin Prins, rondlopen tegen de achtergrond van landschappen, huizen en interieurs die er uit zijn tijd nog over zijn. Beeldschoon zijn de scènes waarin Spinoza dwaalt door het decor van zeventiende-eeuwse schilderijen, verknipt tot een soort driedimensionale kijkdoosjes.

Maar deze Spinoza spreekt niet. Zijn verhaal wordt verteld door Wiep van Bunge, hoogleraar geschiedenis van de filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ook Van Bunge komt in beeld, soms zelfs naast de zwijgende, lenzen slijpende Spinoza, en legt uit hoe diens leven en denken zich hebben ontrold.

Begenadigd verteller

Van Bunge is een begenadigd verteller: rustig, niet al te populair en helder. Soms krijgt hij hulp van de neurowetenschapper Peter Hagoort, die uitlegt dat Spinoza ruim drie eeuwen geleden al terecht vraagtekens zette bij de vrije wil. Of van de astronoom Vincent Icke, die zich voorstelt hoe Spinoza het uitspansel bestudeerde samen met zijn ‘buurman’ Christiaan Huygens.

Voortdurend springt de film zo heen en weer tussen de zeventiende eeuw en de tijd van nu. Want één ding moet de kijker goed begrijpen. Spinoza was niet een obscure filosoof uit een lang vervlogen eeuw. Hij stond aan de wieg van de moderne vrijheid en de democratische rechtsorde. Robin Lutz lijkt daarin geïnspireerd door de boeken van de Britse ideeënhistoricus Jonathan Israël. Die zag Spinoza als de spil van een ‘radicale verlichting’ in de Nederlandse zeventiende eeuw, lang voordat Frankrijk zich als dé bakermat van de Verlichting zou opwerpen.

Daar is veel voor te zeggen, maar in de film worden de historische lijnen wel érg kaarsrecht getrokken. Spinoza was ongetwijfeld een pleitbezorger van gewetensvrijheid en tolerantie, net als zijn Engelse tijdgenoot John Locke. Maar of je hem in de moderne zin van het woord een ‘democraat’ kan noemen, is twijfelachtig. En voor mensenrechten is het bij hem nog veel te vroeg.

De tranen van een kind

Het is dan ook méér dan een stijlbreuk wanneer de film in de laatste tien minuten plotseling overschakelt naar de Verenigde Staten, waar de Nederlandse ambassadeur mag uitleggen dat deze machtigste democratie op aarde de vrucht zou zijn van Spinoza’s politieke denkbeelden.

Wel vaker schiet deze film uit de bocht. Wanneer Spinoza zich, na de moord op de gebroeders De Witt, vertwijfeld afvraagt in wat voor krankzinnig geworden wereld hij leeft, brengt de geluidsband een song te horen van de Franse rockzanger Johnny Halliday. Pardon voor alle mensen die nog nooit het woord ‘liefde’ hebben begrepen, zingt hij. Voor wie geen oog hebben voor de tranen van een kind, de glimlach van een vrouw. Dat wordt ondersteund met beelden van marcherende soldaten, gewelddadige demonstraties, milieuvervuiling en plastic soep in de oceanen.

Dat is jammer, want de film brengt niet alleen een groot Nederlands denker tot leven, maar ook een bewogen periode uit de Nederlandse geschiedenis. Een rijk en machtig land bedreigd door de omringende grote naties dat intern verscheurd werd door ideologische tegenstellingen en populisme: ook daarin valt makkelijk een parallel te vinden tussen de Republiek van toen en het Nederland of Europa van nu.

Daarvoor hoef je niet het grove geschut in te zetten waar Spinoza: een vrije denker soms naar grijpt en dat van de weeromstuit vergeet hoe anders de toenmalige samenleving óók was. Dat Spinoza ongedwongen zou zijn gaan buren bij Huygens of Johan de Witt, zoals de film soms suggereert, maakt de zeventiende eeuw wel erg gemakkelijk tot de onze.

Daarin wreekt zich de tweeslachtige opzet van dit docudrama. Aan de ene kant wil het een historische denker tot leven wekken op wie Nederland terecht trots kan zijn. Maar aan de andere kant moet die denker ook een held zijn voor déze tijd. Dan wordt het historische portret een moreel exempel. Uiteindelijk is Spinoza in deze film eerder een voorbeeldfiguur dan een filosoof. Over de theoretische inhoud van zijn denken horen we veel minder dan over de betekenis ervan: voor zíjn en vooral voor de huidige tijd.

Dat is al heel wat, vooral voor het onderwijs waarin de film een rol wil spelen. Spinoza is niet langer de grote onbekende van de zeventiende eeuw, al blijft zijn gestalte onafgewerkt. Maar fijnslijpen, zo wist deze opticien, kan altijd later nog.