Onnavolgbare maestro van het modernisme

Jeanne Moreau in de studioregen tijdens de opnames van Antonioni's La Notte. Foto Sergio Strizzi

Met Michelangelo Antonioni (1912-2007) heeft de moderniteit haar intocht gedaan in de filmkunst. Dat is de grondgedachte achter de tentoonstelling Michelangelo Antonioni, Il maestro del cinema moderno in Eye. Hij brak met de heerschappij van het verhaal in de bioscoopfilm. Vooral zijn trilogie L’avventura (1960), La notte (1961) en L’eclisse (1962) bracht een omwenteling in de filmgeschiedenis teweeg: beelden maakten de film uit, zowel het stille spel van de gelaatsuitdrukking der acteurs als de omgeving waarin zij optraden en de soms zeer ingewikkelde, zeer gedetailleerde mise-en-scène.

Maar die moderniteit zat natuurlijk niet uitsluitend in de vormgeving. Er is ook het levensgevoel van de personages, in een permanente staat van hulpeloze teleurstelling. In een nieuwe wereld van betonnen stadswijken en industrialisering kijken zij bedrukt. Ware liefde blijkt meestal een drogbeeld, een risico dat betrokkenen na een korte illusie niet aangaan. Menselijke communicatie faalt – de moderne mens lijkt tot falen veroordeeld.

Cinematografisch avontuur

De tentoonstelling in Eye stond eerder onder andere in Brussel en Parijs. Basis is een groot aantal archiefstukken, door Antonioni vermaakt aan het Museum voor moderne en hedendaagse kunst van zijn geboortestad Ferrara. Al sinds zijn opening slaagt Eye erin exposities die in een duffe verzameling vitrines met brieven en affiches dreigen te ontaarden, tot cinematografische avonturen te maken. Ook nu is dat gelukt. Op een groot aantal schermen laat Eye aan de hand van fragmenten zien, wat we ons bij dat veel geroemde modernisme van Antonioni in de jaren 60 moeten voorstellen.

Een aparte zaal is er voor Blow-Up (1966), wellicht de enige film over de ‘swinging sixties’ in Londen die nog het aankijken waard is. Dat komt vermoedelijk omdat de Italiaanse regisseur ook hier niet voor een modieuze viering van de nieuwe tijd heeft gekozen, maar voor een formalistisch experiment: een fotograaf heeft onbedoeld een moord gefotografeerd, maar komt ondanks veel uitvergrotingen niet achter de waarheid. De wereld van het beeld blijft een schijnwereld – net als het tijdsgewricht.

Op de tentoonstelling is in totaal drie uur film te zien. En anders dan in een bioscoop kun je rondlopen, vergelijken en je indrukken met het archiefmateriaal in de vitrines verifiëren. Zo vroeg ik me bijvoorbeeld af hoe vernieuwend Antonioni eigenlijk was. Vooraan liggen namelijk plakboeken waarin hij als kind plaatjes van acteurs en actrices verzamelde. Zijn voorkeur ging duidelijk uit naar actrices uit de tijd van de zwijgende film, zoals de statige Asta Nielsen of Louise Brooks, die – bij gebrek aan gesproken dialoog – bedreven waren in het werpen van veelbetekenende, zo niet broeierige blikken. Dat is precies wat je de acteurs en actrices van Antonioni in zijn glorietijd ook ziet doen. Het nihilistische levensgevoel van Antonioni’s personages doet ook denken aan vooroorlogse films van de Franse regisseur Marcel Carné, bij wie de Italiaan regieassistent is geweest.

Maar dan opeens zie je beeldsequenties die met niets te vergelijken zijn en toch ongelofelijk aangrijpend. Dan blijkt dat Antonioni niet alleen geen verhaal of intrige nodig heeft, maar eigenlijk ook nauwelijks acteurs: de straatbeelden aan het eind van L’eclisse, de rondgang van de camera over het plein aan het eind van Professione: Reporter. Geen vraag wordt beantwoord, en toch gaat de kijker onder de indruk naar huis.

Uitgefloten in Cannes

Niet elke film van Antonioni was een hoogtepunt. Neem de melodrama’s met in de hoofdrol zijn eerste muze, uit de tijd voordat hij Monica Vitti tegenkwam, de leading lady die lang ook zijn levenspartner was. Haar voorgangster, de voormalige Miss Italië Lucia Bosé, was in de ogen van Antonioni een onvergelijkelijke schoonheid – maar blijkt achteraf een levenloze pop met de juiste maten. De ontmoeting met Vitti lijkt voor de filmmaker ook de ontmoeting met zijn eigen genialiteit te hebben betekend. En na de breuk met deze muze verlaat hem ook weer zijn talent, zou je haast zeggen. Het was al uit toen hij met haar zijn enige tv-film, tevens zijn enige kostuumfilm maakte: Il mistero di Oberwald (1981) is onbeduidend.

Terecht legt Eye de nadruk op de trilogie uit de jaren ’60-’62, de films die een doorbraak in de filmtaal tot stand brachten. Bij de première op het festival van Cannes in 1960 werd L’avventura onbegrepen uitgefloten – de roem kwam pas de volgende dag in de vorm van een bewonderend manifest van filmmakers en critici. In een vitrine ligt de elegante ode aan de filmmaker die de Franse structuralist Roland Barthes in 1980 schreef, Cher Antonioni. Hij noemt Antonioni’s kwetsbaarheid (fragilité) een van de kenmerken van diens groot kunstenaarschap. Dat lijkt me goed gezien: waar minimalisme en pretentie overgaan in genialiteit of verveling ligt vermoedelijk voor elke kijker anders. Voor wie dat bij zichzelf uit wil vinden, is een bezoek aan de porseleinkast in Eye een prima idee.