Column

Ongeliefde kampioen

Sommige komieken, zo luidt de uitdrukking, hebben de lach aan hun kont hangen – André van Duin vond dat van Johnny Kraaijkamp –, andere artiesten moeten er harder voor werken. Zoiets geldt ook voor sporthelden: sommige genieten bij het publiek vanzelfsprekende genegenheid, andere komen er bekaaid af, wat ze ook presteren.

Een treffend voorbeeld is Novak Djokovic, al een jaar of vier de beste tennisser ter wereld. Hij leverde zondagnacht een onwaarschijnlijke prestatie door in één seizoen zijn derde grandslamtitel te winnen: eerst de Australian Open, toen Wimbledon en nu de US Open, terwijl hij ook in de French Open de finale haalde. Wimbledon en de US Open won hij door Federer in de finale te verslaan.

Toch lijkt het publiek hem al die successen niet in dank af te nemen; zowel op Wimbledon als in New York koos het ondubbelzinnig partij voor Federer. Treffers van Federer werden met applaus en gejuich begroet, het gejoel en gefluit waren voor Djokovic. Het was in New York zelfs zo erg dat The New York Times hem ‘The Unloved Champion’ noemde en zich afvroeg: „Waarom kan Djokovic niet enig respect krijgen?”

Misschien was het een subtiele wraakneming van Djokovic dat hij zich een dag na de finale door de NYT liet fotograferen tegen de skyline van New York met de beker triomfantelijk boven zijn hoofd. Of jullie het nou leuk vinden, of niet, zag je hem denken.

Ik zou die onsympathieke houding van het publiek graag ten diepste willen afkeuren, maar ben ik zelf veel beter? Helaas, niet véél. Als ik op die tribunes had gezeten, zou ik ook luider voor Federer hebben geklapt, en niet alleen omdat hij een ‘oude’ (34) kampioen is die je nog één groot succes gunt, maar vooral omdat hij zijn unieke talent paart aan een aangename, sportieve uitstraling. Djokovic komt fanatieker en nationalistischer over – met dat vuistje naar het Servische hart als hij gewonnen heeft. Wat Federer ook helpt is dat zijn speelstijl offensiever is.

Ook in Europa is Federer populairder dan Djokovic. Het viel me op dat Richard Krajicek, toernooidirecteur in Rotterdam, Federer én Nadal grotere publiekstrekkers voor zijn toernooi noemde dan Djokovic.

Arme (niet qua financiën!) Djokovic. Hij doet zijn uiterste best om in de gunst van het publiek te komen. Na de finale van zondag bleef hij beleefd. Hij prees Federer en verweet het publiek niets: „Het is te verwachten dat een grote kampioen als Roger de meeste steun krijgt, waar ik ook tegen hem speel.”

Oud-kampioen John McEnroe neemt het voor hem op. „Hij is een fijne man”, zei hij en noemde hem een van de grootste tenniskampioenen aller tijden. Dat lijkt ook mij onweerlegbaar. Zelfs Federer, die nog altijd met verbluffend gemak zo’n finale haalt, kan eenvoudig niet tegen Djokovic op. Federer kan de kleinere toernooien – als er maximaal drie sets worden gespeeld – nog van hem winnen, in langere partijen legt hij het af.

Paul Annacone, de vroegere coach van Federer, heeft goed uitgelegd waar het geheim van Djokovic in schuilt. Hij noemt hem de meest effectieve verdediger ter wereld, een speler die de ruimte om te scoren voor de tegenstander zó klein maakt dat die op den duur van vermoeidheid in fouten vervalt. Op Wimbledon en de US Open verloor Federer de laatste twee sets op identieke wijze: respectievelijk 6-4, 6-3 en 6-4, 6-4. Dat zegt alles.