‘Een verhaal over gewone mensen zie je bijna nooit’

Het wordt duur, maar de gelauwerde scenarioschrijver zou graag ‘De Geschiedenis van de Familie Avenier’ verfilmen: naoorlogs Nederland aan de hand van een Brabantse – of Rotterdamse – familie.

Foto Rien Zilvold

Van alle toneelstukken, monologen en scenario’s die ik schreef, is één me het meest dierbaar: De Geschiedenis van de Familie Avenier. Een vierluik over een Brabantse arbeidersfamilie tussen 1950 en 2000, verteld aan de hand van de grote veranderingen die Nederland doormaakte. Wederopbouw, welvaart, de komst van buitenlandse arbeidsmigranten, werkloosheid.

„Geen intellectueel stuk, maar een verhaal over gewone mensen – dat zie je bijna nooit op het toneel. De inspiratie was mijn eigen familie. De kruidenier was mijn vader. Door de komst van de supermarkten als de Spar kwam er niemand meer bij hem. Met volle boodschappentassen liepen ze zijn zaak zo voorbij. Ze zwaaiden niet eens meer naar hem. Mijn vader was weliswaar een smid, geen kruidenier. Maar zijn zaak ging failliet, net als de kruidenierszaak.

„Peter Blok speelde de rol van de kruidenier. Dat deed hij prachtig, hij wekte mijn vader echt tot leven. Het was voor mij zo bijzonder om dat te zien; mijn vader overleed toen ik 11 jaar was.

„Dit verhaal zou ik heel graag opnieuw aan het publiek laten zien, in een film die bestaat uit verschillende delen, zoals La Meglio Gioventù, maar dan wil ik het zelf regisseren. Het verhaal is me zo dierbaar dat ik het graag wil maken zoals ik in mijn hoofd heb. Met toneelproducties bemoei ik me niet, omdat regisseurs dat niet prettig vinden – die hebben vrijheid nodig. Het spel vond ik uiteindelijk heel mooi, maar het decor was afgrijselijk. Er was een woonkamer gemaakt waar een soort gat in geslagen was, zodat je erin kon kijken. Heel lelijk. Wat op het toneel gezegd werd, was ook niet goed hoorbaar. Ik heb me flink geërgerd in de zaal.

„Het zou mijn regiedebuut zijn, dus ik wil graag in een goed artistiek team werken met een goede cameraman. En ik wil de tijd hebben om te repeteren, die tijd is er normaal gesproken amper. Het is wel een dure onderneming, ook omdat je teruggaat in de tijd. Je hebt een marineschip uit de jaren 50 nodig, een gevangenis in Nieuw Guinea in de jaren 50, je moet draaien in Israël, Marokko…

„Het verhaal wil ik ook bewerken. Ik zou Rotterdam nemen in plaats van Brabant, vanwege de havenstaking in de jaren 60. Dat geeft een schitterend beeld van hoe de stukarbeider verdween. Je hebt een grote cast nodig, twaalf man. De eersten aan wie ik denk, zijn Loes Luca, vanwege Rotterdam, Pierre Bokma behoeft geen uitleg, Gijs Scholten van Asschat omdat hij het de vorige keer ook geweldig deed, Marcel Hensema en Ariane Schluter vind ik ook heel goed. En als het niet op film kan, wil ik het graag doen op toneel voor mijn 65ste verjaardag. Nu nog een productiehuis.”