De Togacolumn: Geen woord in de Troonrede over toegang tot de rechter

Tot de ‘gedeelde waarden’ waar de Koning in de Troonrede over sprak, behoort ook toegang tot de rechter. Niet alleen voor mensen met een dikke portemonnee. In de Togacolumn, die deze week hervat, hoogleraar en advocaat Britta Bohler.

De toegang tot de rechter is een fundamenteel beginsel van elke rechtsstaat. Toegang tot de rechter betekent ook dat mensen die het minder breed hebben door de overheid in staat worden gesteld een advocaat in de arm te nemen.  Maar evenals veel andere voorzieningen die door de overheid betaald moeten worden, staat de toegang tot de rechter voor mensen met een laag inkomen al enkele jaren en in toenemende mate onder druk.

Bezuinigingen op de gefinancierde rechtshulp, verhogingen van de eigen bijdrage (het deel van de advocaten-vergoeding dat je ook in toevoegingszaken zelf moet betalen) en de verhoging van het griffierecht (dat je ook zelf moet betalen) maken de toegang tot de rechter voor veel mensen steeds lastiger. Hier komt nog bij dat ook de sociale advocatuur onder druk staat; advocaten die uitsluitend toevoegingszaken doen, hebben immers steeds meer moeite om rond te komen (zie bijvoorbeeld dit afgelopen mei verschenen artikel in NRC.

En de bezuinigingen op de gefinancierde rechtsbijstand lijken nog niet ten einde. Afgelopen januari stopte de Eerste Kamer weliswaar de voorgenomen bezuinigingen van toenmalig staatssecretaris Teeven. Maar uit de miljoenennota die gisteren werd gepresenteerd, wordt duidelijk dat er vanaf 2017 opnieuw minder geld beschikbaar is voor toevoegingszaken. Ondertussen moet een commissie onder leiding van oud-burgemeester Wolfsen onderzoek doen naar het rechtsbijstandsstelsel met als doel, aldus de regering, een “vernieuwing van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand met het oog op een betere budgettaire beheersbaarheid“.

Verdergaande bezuinigingen op de gefinancierde rechtshulp kunnen ertoe leiden dat de toegang tot de rechter beperkt wordt tot mensen met een hoger inkomen. En dat is een buitengewoon zorgelijke ontwikkeling want, zoals de voormalig president van de Hoge Raad Geert Corstens recentelijk nog benadrukte:  “De toegang tot de rechter is geen consumptiegoed, geen bankstel dat je wel of niet zult kopen, het is een essentieel onderdeel van onze rechtsstaat.”

Die zorg wordt alleen maar groter wanneer men bedenkt dat in 60% van alle rechtsbijstandszaken tegen de staat wordt geprocedeerd. En de staat heeft vanzelfsprekend geen problemen zich van een adequate rechtsbijstand te voorzien. Hij wordt immers vertegenwoordigd door de Landsadvocaat. Je kunt je dus afvragen of er in de toekomst bij rechtszaken tegen de staat nog wel sprake zal zijn van equality of arms.

Bezuinigingen betekent keuzes maken en de toegang tot het recht voor mensen met een laag inkomen staat kennelijk niet hoog op de prioriteitenlijst. Het verbaast dan ook niet dat dit onderwerp in de Troonrede geen aandacht heeft gekregen. Weliswaar stond de Koning stil bij de taak van de regering “publieke voorzieningen zeker te stellen“, maar hij noemde alleen het recht op “goede zorg, hoogwaardig en toegankelijk onderwijs, adequate sociale voorzieningen en een solide pensioenstelsel“.  Geen woord over de toegang tot het recht, eveneens een essentiële publieke voorziening. En ook hier moeten toegankelijkheid en kwaliteit voorop staan, onafhankelijk van de financiële draagkracht van de burger.

De Koning sprak in de Troonrede terecht over onze “gedeelde waarden“ en hij doelde hierbij op tolerantie, ruimte voor het individu, solidariteit en onderlinge betrokkenheid. Maar laten we niet vergeten dat tot onze gedeelde waarden ook de toegang tot de rechter behoort. Voor iedereen, niet alleen voor mensen met een dikke portemonnee.

De Togacolumn wordt afwisselend geschreven door een advocaat, rechter of officier van justitie. Britta Böhler is advocaat en hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam.

 

    • Britta Böhler