Vanaf de eerste dag omstreden

Op Prinsjesdag rijdt volgens traditie de Gouden Koets door Den Haag. Na vandaag gaat de koets drie tot vier jaar in onderhoud. De rijtuig van de koning kent een lange geschiedenis van controverse. Door Kees Versteegh foto's David van Dam

Foto’s RVD en David van Dam

De brochure was een vlammend protest tegen de bouw van de Gouden Koets. Louis Maximiliaan Hermans, socialistisch activist in de hoofdstad, riep in zijn pamflet mede-Amsterdammers op winkels te boycotten die hielpen geld in te zamelen voor wat hij noemde ‘De Gouden Kwartjeswagen’. De bouw van de Gouden Koets, die na vandaag drie tot vier jaar in onderhoud gaat, was in 1897 in volle gang. De koninklijke karos zou een jaar later als geschenk van het Amsterdamse volk aan de nieuwe koningin Wilhelmina worden gegeven.

Hermans wees op de bittere armoe in de stad. „Wanneer in een huisgezin de meeste leden gebrek lijden”, schreef hij „zal wel niemand op de gedachte komen aan een der leden die aan niets gebrek heeft, een kostbaar geschenk aan te bieden.” Bovendien: wat moest Wilhelmina met een koets? „In waarheid bezit de dame ongeveer honderdvijftig van deze vervoermiddelen.” Hermans wond zich ook op over de merchandise die ter gelegenheid van de kroning in de winkels lag, zoals ‘stinkende sigaren’.

Zijn brochure speelde in op de twijfels die bij het Hof bestonden over de bouw van de koets. Toen het Inhuldigingscomitee Wilhelmina in september 1896 voor het eerst voorzichtig had gepolst, was zij afwijzend. Er was in die tijd juist te doen over de volgens velen overdreven pracht en praal bij de kroning van de Russische tsaar Nicolaas II, nota bene een familielid van de Oranjes. Moest in zo’n klimaat de nieuwe vorstin van Holland wel een galakoets in ontvangst nemen?

Wilhelmina twijfelt

Enkele maanden later, november 1896, ging Wilhelmina echter toch twijfelen. Hermans schreef dit in zijn brochure toe aan het gedram en gedrijf van de voorstanders. „Alstublieft, Majesteit, alstublieft” schreef hij sarcastisch over het gejengel van kooplieden die bij het Hof de deur platliepen.

Er was een zakelijk belang in het geding. Zo was de Amsterdamse koopman Herman van Eeghen niet alleen voorzitter van het Comitee voor de aanbieding van het Huldeblijk aan Hare Majesteit de Koningin. De koopman bekleedde ook een commissariaat bij de firma Spijker, beoogd bouwer van de koets. Het was onder anderen Van Eeghen die het Hof de onvermijdelijkheid van het komend geschenk onder de aandacht bracht. De inzamelingsactie liep als een trein, kreeg het Hof van hem te horen. Het benodigde geld, 120.000 harde Hollandse guldens, was zo goed als binnen.

Er was echter meer aan de hand dan een handig opzetje van ‘hooge heeren’. In echte volkswijken als De Jordaan bestond veel Oranje-liefde. Telkens als de oude koning Willem III met zijn familie in de stad was, werden in de naar hem genoemde Willemsstraat de paarden afgespannen. Visventer Jacob Mens en zijn zonen Kok en Leendert trokken het rijtuig met een minzaam lachende koning voort, toegejuicht door omstanders. Om hun zaak verder kracht bij te zetten, beklemtoonden voorstanders het puur vaderlands karakter van de komende koets; goed voor de Nederlandse werkgelegenheid. Het vlas voor de kussens in de cabine kwam uit Zeeland. Het leer voor de draagriemen voor de cabine uit Brabant.

Ook de overzeese gebiedsdelen deden mee. Het teakhout waarvan de constructie was gemaakt, was uit Java getransporteerd; het ivoor voor ornamenten uit Sumatra. Dat ‘Made in Holland’ soms hysterische vormen aannam, werd er niet bij verteld. Toen bleek dat een Belgische ambachtsman had getimmerd aan de constructie van de koets, werd zijn bijdrage terstond met een bijl weggehakt.

De oorsprong van het idee voor de Gouden Koets was onmiskenbaar koloniaal. Een van de bestuursleden van de Amsterdamse Oranjevereniging had eerder een koets zien staan in de werkplaats van Spijker. Het voertuig werd gebouwd voor een Indische vorst. De aanblik herinnerde aan enkele voertuigen die eerder in Den Haag waren gebouwd voor de vorst van Solo en Djokja. De weelderigheid, kroon op de cabine, draken op het dak, prachtige ornamenten, schilderingen en houtsnijwerk, had veel aandacht getrokken. Tijdschrift Nederlands Magazijn schreef: ‘Bij het zien van deze galakoets herinnert men zich de Oostersche pracht, waarvan de Arabische nachtvoorstellingen gewagen…”

Zoiets prachtigs en weelderigs moest de komende Gouden Koets ook worden, liefst nog prachtiger en weelderiger, zo rapporteerde het bestuurslid aan de vereniging.

Wilhelmina zwicht

Na de briefwisseling tussen burgers en Inhuldigingscomité zwichtte de aankomend vorstin eind 1896. Wilhelmina zou de koets bij haar troonsaanvaarding in ontvangst nemen. Het Hof stelde stringente voorwaarden. Het aanbieden van de koets zou geen onderdeel mogen zijn van de inhuldigingsfestiviteiten in 1898. Dat moest Louis Maximiliaan Hermans en zijn rode kornuiten op afstand houden.

Ook zou de koningin er niet meteen gebruik van gaan maken, wel de uitdrukkelijke wens van de geldgevers. Het zou drie jaar duren – tot haar huwelijk met Prins Hendrik in 1901 – voordat Wilhelmina een openbare rijtour maakte in de koets. Daarna alleen bij Prinsjesdag, uitzonderingen daargelaten.

In de tussentijd overwoog de vorstin nog een paar keer het voertuig weg te stoppen in het Rijksmuseum. Wilhelmina bleef bang dat de koets als provocatie werd gezien. Veel Nederlanders zagen hun soeverein nu eenmaal liever op een fiets rijden, dan wuiven vanuit een koets met welhaast on-Nederlandse grandeur.