Column

Stromae danst met het kankermonster

Stromae in zijn nieuwe clip ‘Quand c'est’.

Het dvd-tijdperk loopt ten einde, dus valt distributiebedrijf AFilm bijna om. Reden voor Klaas de Jong, producent van publieksfilms, om in het NOS Journaal de schuld te geven aan investeringen in arthouse-films, die toch niemand wil zien.

Het gaat ook slecht met de Nederlandstalige muziek op de radiozenders van NPO, vindt belangenorganisatie Buma. De Telegraaf opende gisteren zelfs met een onderzoek dat slechts 4,6 procent van de honderd meest gedraaide nummers op de grootste drie zenders van NPO in de moerstaal zou zijn. RTL Late Night sprong er bovenop, want het behoud van dit deel van ons erfgoed is een politiek gevoelige kwestie geworden, sinds het verdwijnen van de piratenzenders op zee en de motie-Bosma (PVV) uit 2011 over een quotum van 35 procent Nederlandse muziek op NPO Radio 2 . Ook al zijn de dagen lang voorbij dat de VARA Johnny Jordaan en Tante Leen niet geschikt vond voor haar luisteraars, je moet die staatsomroep natuurlijk wel scherp in de gaten houden.

Grappig genoeg gaat het niet alleen om Hazes en de Toppers, maar om het hele spectrum, van Boudewijn de Groot tot Normaal. De gedachte van de kruisridders voor het Nederlandse lied is immers, naast protectionisme, dat wij liedjes in een andere taal toch niet kunnen verstaan.

Je ziet helaas weinig ondertitelde videoclips, terwijl daar veel voor te zeggen zou zijn. Bij de gisteren gelanceerde nieuwe clip van de Belgische zanger Stromae, Quand c’est, zijn die Engels, en cruciaal voor ons begrip. Het is een wonderlijk filmpje, waarin de atletische zanger op een leeg toneel strijd voert met kwaadaardige poliepen. Het ziet er fantastisch uit. Stromae was ooit filmstudent en kent de klassieken van het Duitse expressionisme. Hij kronkelt in silhouet, als een Nosferatu of dr. Caligari.

In het Frans klinkt Quand c'est (‘Wanneer is het’) bijna hetzelfde als cancer. Wanneer laat die struikrover ons met rust? Stromae zingt dat hij hem goed kent: „Eerst pakte je de borsten van mijn moeder, daarna de longen van mijn vader. En ook kinderen zijn niet veilig voor je, mijn vriend.”

Visueel inventief, muzikaal meeslepend, verbaal zo spitsvondig en vol woordspelletjes, is het een imponerende clip. „Koude rillingen”, kopte Het Laatste Nieuws.

En toch voelde ik reserves bij het omarmen van Quand c’est. In de metaforen die vaak gebruikt worden in relatie tot kanker wemelt het van de ongelijke gevechten en sluipmoordenaars. Als je bezwijkt aan de ziekte, heb je de strijd verloren, zo niet, dan heb je overwonnen. Het zijn onbeholpen, uit machteloosheid voortkomende vergelijkingen, die helaas vaak te letterlijk worden genomen. Voor je het weet ga je denken dat je door met z’n allen tegen een berg op te fietsen of in een gracht te zwemmen, je het beest zou kunnen temmen.

In dat opzicht is de clip kitsch: als kunst interessant, maar je moet er niet aan denken dat het een lijflied wordt van een geldinzamelingsactie. Gelukkig is het daarvoor net te macaber.