Onterecht conservatief genoemd, onterecht vergeten

Iedere dinsdag laat Merlijn Kerkhof (28) zien wat de schoonheid is van klassieke muziek. Deze week: de vergeten Robert Heppener.

Het was mooi om te zien, al die aandacht voor Arvo Pärt afgelopen week. De componist werd vrijdag tachtig en het regende felicitatie-items en -stukjes – ik deed er zelf ook aan mee. Toch voelde ik me er op een gegeven moment een beetje ongemakkelijk bij. Pärt heeft geen verjaardagsjournalistiek nodig: zijn werk wordt overal uitgevoerd, in eigen land benadert hij de status van een heilige en ook in Nederland is hij al jaren bijzonder geliefd. Als we nou eens een klein beetje Pärt-aandacht af zouden staan aan die andere eigentijdse componisten, dacht ik. Componisten die óók heel bijzondere muziek maken of hebben gemaakt.

Ik moest denken aan Robert Heppener. In augustus zou hij negentig zijn geworden. Vorig jaar was het vijf jaar geleden dat hij overleed. Maar zowel vorig seizoen als dit seizoen wordt zijn werk nauwelijks of niet uitgevoerd. Vorig jaar speelde het Residentie Orkest zijn Sweelinck Fanfare. Nou, dat was het wel zo’n beetje.

Robert (of Bob) Heppener werd geboren in Amsterdam in een rood milieu en had al vrij snel succes, zo werd de symfonie die hij als 27-jarige schreef al meteen door het beroemde Concertgebouworkest gespeeld. Met de beweging van componisten die na de Tweede Wereldoorlog radicaal met tradities wilden breken had hij niets. Voor zijn collega’s die met twaalftoonsreeksen, elektronica en toevalselementen experimenteerden, was Heppener juist conservatief. Toen vanaf de jaren tachtig nieuwe muziek langzaamaan weer ‘mooi’ mocht zijn, groeide ook de belangstelling voor zijn werk.

Maar nu? Tsja.

Met Pärt heeft Heppener trouwens vrij weinig gemeen, behalve dat voor beiden geldt dat ze hun beste werken voor koor schreven. Heppeners Im Gestein (1992) en Nachklänge (1977, beide op teksten van Paul Celan) behoren tot de beste vocale muziek van Nederlandse bodem.

Een eigen favoriet dan: de Canti carnascialeschi (1966), carnavalsliederen op gedichten uit de Renaissance. Je ziet de processies en de maskerades aan je voorbij trekken als je de ‘Trionfo die Bacce e d’Arianna’ hoort. Het is een ongekend energiek stuk, alsof alle ideeën voor een symfonie van een uur zijn samengeperst in 3,5 minuten. In de ‘Canto de’ diavoli’ (op tekst van Niccolò Machiavelli) hoor je duiveltjes prevelen dat zij honger en oorlog hebben gebracht. Het lieve, afsluitende madrigaaltje ‘Ben venga maggio’ (‘Wees welkom, mei’) zorgt voor een prachtig contrast. Trouwens, een muzikaal conservatief was hij echt niet. Zo zitten de ‘canti’ vol spraakzang.

Dit concertseizoen is het voor de programmeurs te laat. Alle folders zijn gedrukt, de programma’s liggen vast. Hopelijk weten ze voor de seizoenen 2019 en 2020 wat hun te doen staat.

    • Merlijn Kerkhof