In Noord-Europa is ooit geselecteerd op lang en slank

De lengteverschillen tussen Noord- en Zuid-Europeanen zijn ontstaan door selectie. Het verschil zit deels in de genen.

Nederlanders en Scandinaviërs zijn gemiddeld langer dan Zuid-Europeanen. Minstens een kwart van dat verschil zit in de genen. En in de evolutie heeft selectie op lengte plaatsgevonden. Hoewel de genen maar een deel van de gemiddelde lengteverschillen tussen Europese landen bepalen, is het patroon volkomen in overeenstemming met de werkelijke metingen.

Behalve in gemiddelde lengte verschillen de inwoners van Europese landen ook in dikte. Maar hier zijn cultuur en omgeving kennelijk belangrijker. Slechts acht procent van de dikteverschillen zit in de tot nu toe bekende genvarianten. En de vetverschillen tussen inwoners van verschillende landen die de genen voorspellen zijn in het echt niet terug te vinden.

Wel is duidelijk dat mensen met veel ‘lange’ genvarianten tegelijkertijd ook veel ‘slanke’ genen hebben. Er is dus geselecteerd op lang en slank.

Dat concluderen ruim 40 onderzoekers uit een tiental landen, waaronder Nederland, in een gisteren uitgekomen onderzoek Nature Genetics.

Lichaamslengte en -omvang worden ieder beïnvloed door veel genen. Voor lengte zijn er nu ruim 2.500 veelvoorkomende genvarianten bekend. Zo’n genvariant is een plaats op het DNA waar één base in de erfelijke code van 6 miljard basen varieert. Het gaat bij deze single nucleotide polymorphisms (SNP’s) niet om zeldzame genafwijkingen, maar om veelvoorkomende varianten. De ene of de andere base op die plaats in het DNA geeft dan bijvoorbeeld een paar millimeter lengteverschil.

Voor zwaarlijvigheid zijn zelfs bijna 12.000 SNP’s gevonden die invloed hebben op de body mass index (BMI).

De honderden genvarianten voor lengte en BMI zijn gevonden in zogenaamde genome-wide association studies (GWAS), waarbij van heel veel mensen de genetische kenmerken aan lengte of gewicht werden gekoppeld. Met statistische methoden is dan te achterhalen welke genvarianten bepalend zijn voor die kenmerken. GWAS-onderzoeken waren mogelijk na 2000, toen het humane genoom bepaald was. Ze zijn met steeds grotere groepen gedaan, omdat er veel minder genen werden gevonden dan verwacht. Uiteindelijk zijn voor lengtevariatiegenen de genetische gegevens van 250.000 mensen samengevoegd, en voor BMI-genen van 350.000 mensen. In het nieuwe onderzoek is met die gegevens gekeken naar een groep van bijna 10.000 mensen uit 14 landen. De onderzoekers bepaalden welke combinaties van lengte- en BMI-genen in de 14 landen voorkomen en welke genen die voorspellen. Zo ontstond een nieuwe schatting van de genetische invloed op lengte (24 procent) en BMI (8 procent). Maar dat zijn minimumschattingen, want er zijn meer genetische invloeden, zoals verdwenen of gekopieerde stukken DNA, die hierin nog niet zijn meegenomen.