Rondzeulen met het hart van een overleden man

Arthur Japin is een negentiende-eeuwer in het diepst van zijn gedachten – in elk geval in het deel van zijn oeuvre waartoe ook zijn nieuwe historische roman De gevleugelde behoort. Hij laat daarin een alwetende verteller ons aan de hand nemen en afdalen in een tot de verbeelding sprekend verleden, dat hij in geuren en kleuren beschrijft. Hij gebruikt het hart, het orgaan dus, symbolisch en laadt het met betekenis: ‘levenden ervaren hun hart nu eenmaal als de zetel van hun gevoelens’. Want zonder hart ‘is het hart ook uit dat leven’.

Dat is Japins opzetje naar het beginhoofdstuk, waarin het hart van een overleden man rondgezeuld wordt – dat zal nog de gehele roman voortduren, en die symboliek mag duidelijk zijn.

Het hart behoorde toe aan Alberto Santos-Dumont (1873-1932), Braziliaans luchtvaartpionier, die Japin tot romanpersonage maakte. Santos-Dumont was een van de eersten ter wereld die een ‘gevleugelde vliegmachine’ ontwierp, zoals Japin het ergens passend archaïsch verwoordt. Hij is onder verdachte omstandigheden om het leven gekomen en zijn hart dreigt nu in handen van de dictator te vallen. Nog vóór Santos-Dumonts begrafenis snijdt een chirurg stiekem het hart uit het lijk, zet het op sterk water en smokkelt het weg.

Japin vertelt vervolgens (en daarin doet De gevleugelde ook klassiek aan) min of meer chronologisch het biografische verhaal van Santos-Dumont, uitgebreid, vol details, in schaamteloos geparfumeerde taal. Vaak werkt dat, in de zin dat Japin schrijft met groot gevoel voor effect.

Maar de alwetende verteller neemt ons wel erg aan de hand. De gevleugelde trapt daardoor in de valkuil om het biografische verhaal op een wat zelfvervullende manier te vertellen. Alle anekdotes, gevoelens en gebeurtenissen, van zijn introverte eenzelvigheid als jongen en het feit dat zijn moeder hem leert breien, álle elementen in het verhaal staan nadrukkelijk in dienst van wie Santos-Dumont uiteindelijk zou worden. Alles past bij de karaktertrekken die de tragische, romantische held die Japin van hem maakte, en dat maakt de meedeinende lezer wat lui.

Soms is er dan de alwetende verteller om je wakker te schudden – nadat hij je eerst al in slaap heeft gesust, met expliciete bevestigingen van wat in de gebeurtenissen al getoond werd, en schmierende bewondering voor Santos-Dumont. Soms maakt deze verteller, van wie in het midden blijft wie het is, het echt te gek met zijn prekerige duiding. Zoals wanneer hij tot in detail fantaseert over de uitvinding van het (toch bewerkelijke) kopje koffie: ‘En toch, ergens heeft een lang vergeten iemand al deze onwaarschijnlijke stappen ooit gezet. Omdat hij er nu eenmaal trek in had.’

Zou het? Daar openbaart zich de ware aard van deze verteller, die telkens maar hamert op de maakbaarheid van dingen, mensen, levens. Maar is een mens echt zo’n verzameling drijfveren? Zo’n rechtlijnig willend en door een plan gestuurd wezen, dat zijn leven kan vormgeven? En toeval dan, en mislukkingen, en aanklooien?

Per ongeluk is De gevleugelde niet tot stand gekomen. Het is op negentiende-eeuwse wijze ambachtelijk in elkaar gesleuteld – en het klopt allemaal wel, maar of er ook een menselijk hart in zit, valt te betwijfelen.

    • Thomas de Veen